Meekomen!

“Als je nu niet meteen mee komt, speel je volgende keer maar gewoon op je eentje thuis.”
Deze zin behoort tot het erfgoed van mijn vaderschap. Helaas… Ik vind het niet erg als mijn kinderen ergens gaan spelen. Bij vrienden, buren of familie. Maar ik word gek van dat gehannes met minuutjes bij het ophalen.
“Nog heel even, papa. Eén minuutje.”
Maar mijn soep staat op het vuur. En we weten allemaal dat dit extra uitstel de speelhonger niet zal stillen. Dus geef ik duidelijke richtlijnen vooraf.
“Ik ben nu hier voor jou. En ik wil dat je je spel afrondt. Binnen twee minuten vertrekken we.”
Het helpt… een beetje. Maar terwijl de secondes wegtikken, raak ik aan de praat met de papa van het vriendje. Ik vergeet mijn soep op het vuur of die andere reden waarom ik op hete kolen liep. En er is ook geen wekker gezet op die twee minuten. Ik rond rustig het gesprek af en roep dan pas mijn zoon. En dus komt mijn mededeling dat we nu écht gaan vertrekken, toch weer totaal onverwacht én ongelegen voor de spelers.
Protest volgt. De buurman maakt van de gelegenheid gebruik om het gesprek weer op gang te brengen. Ik sta langs twee kanten onder druk. Dus gebruik ik de gekende zin, en zet mijn woorden kracht bij met een luide stem.
“Als je nu niet mee komt…”
Dat is geen straf. Het is gewoon mijn lijn. Hij mag bij vriendjes spelen. Maar elke keer ruzie bij het ophalen, is voorbij de grens van wat ik zie zitten. Dus als dat het geval is, gaat hij maar niet meer.
Case closed. Of dat dacht ik toch. Tot ik de volgende dag mijn kinderen ophaal na school.
“Papa. Ik wil snel naar huis. Ik moet nog iets afmaken,” zegt mijn oudste zoon.
Dat is een duidelijke boodschap. Alleen: ik moet nog iets bespreken met een andere ouder.
“Als dat gebeurd is, gaan we naar huis,” beloof ik. Maar eenmaal op straat bots ik zowaar op een jeugdvriend.
“Dát is lang geleden! En zijn dat die van u?”
Ik ben óók enthousiast over de onverwachte ontmoeting, maar mijn zoons trekken aan mijn benen en belofte maakt schuld.
“Kom je even mee naar ons huis?”, probeer ik. Maar de ander kan niet. En dan verheft mijn oudste zoon zijn stem.
“Papa! Als je nu niet mee komt, dan… dan…”
“Dan mag je ons nooit nog komen halen op school!” roept kleine broer schril. Hij is nog jong genoeg om totaal onredelijk uit de hoek te mogen komen. Maar redelijk of niet, het punt is gemaakt. Dit is exact dezelfde situatie. De één wil blijven, de ander vertrekken én er is een duidelijke afspraak. Dus wissel ik snel telefoonnummers uit en volg braaf mijn zoons naar huis… in de hoop dat ze iets opsteken van mijn goede voorbeeld :)
De Wakkere Papa

Mislukte papa

Mijn kinderen hebben gescheiden ouders. Zo. Het staat er. Vijf woorden, 39 tekens, inclusief spaties. Maar het heeft me 18 maanden en een dikke 30 edities van De Bond gekost om ze op papier te krijgen. In het begin suste ik mezelf nog met het idee dat de wakkere papa nog beter even een perfect gezin kon hebben. Er waren nog edities genoeg voor een gescheiden situatie. Laat hem nog maar even. Maar ik besefte al snel dat het niet de lezer was maar ik, die nog niet klaar was voor de zwart-witte waarheid.

Schaamte is niet mijn probleem. Ten opzichte van wie? Al die andere gescheiden ouders? Mislukking. Dát voel ik. Ik heb gefaald. Ik had iets anders in gedachten voor mijn kinderen. Rust, vrede. Een complexloze thuis. Het woord thuis zou nooit ingewikkeld mogen zijn, vond ik. En ik wist dat het voor mijn kinderen nooit ingewikkeld zou worden. Ik weet niet of ik het echt zeker wist, dat het ons niet zou overkomen: scheiden. In elk geval leek die mogelijkheid nooit realistisch in mijn hoofd. Ik hield er domweg totaal geen rekening mee.

Er is een kind in mij dat boos is. Woedend op mij. Ik krijg het niet gesust. Dat kind verlangde naar een gezin. Als volwassen papa had ik het… heel even. En het kind in mij was blij. Toen is het me ontglipt. Ergens. Aaah… als ik het had geweten, dan zou ik zeker zus, en oooh… als ik het opnieuw mocht doen dan kon ik toch ook zó! Maar het is dus verleden.

Ik vraag me af, de hele tijd: “hoe moet het verder?” Ik droom over constructies die het dichtst aansluiten bij dat ideale plaatje van een klassiek gezin. Misschien kunnen we samen als vrienden in dit huis leven. We zoeken een eerlijk evenwicht tussen geven en nemen, maken duidelijke afspraken, zijn mild voor elkaar. “Nét die dingen die het aller- moeilijkst zijn voor koppels… die nog samen zijn,” zegt zij. “En als jij iemand anders tegen komt?” Dat is mijn moeder, uiteraard. Iemand anders? Oh…

Ik was geen wakkere papa. Niet op dit punt. Niet in mijn verantwoordelijkheid om mijn kinderen gescheiden ouders te besparen. Of tenminste daar alles voor te doen. Ik sliep, en droomde dat scheiding niet in ons woordenboek stond. En dat teistert me nog het meest. Je doet zo je best om een goede papa te zijn. Je wil je kinderen zoveel geven. Je doet, als een steraanvaller, de ene na de andere wervelende ouderlijke actie, naast af en toe eens een stevige blunder. Maar dan krijg je helemaal aan de andere kant van het veld, een goal tegen, waar je dacht dat er geen doel stond. Die goal telt voor honderddertig punten. Want wat is de invloed op je kind van alle warme liefde, geduldig begrip, sluwe slimmigheid en zotte spelletjes, afgemeten tegen gescheiden ouders? Honderddertig punten… Voor een soort van own goal! Gelukkig heb ik er dus al een heel pak ingelegd aan de juiste kant. Ouderlijke punten. Maar toch… Ik wist echt niet dat ook daar een doel stond… ik sliep! Maar de cijfers staan op het bord. Mijn kinderen hebben gescheiden ouders. Shit.

De Wakkere Papa

Ik wil ijs!

Ik loop met mijn zus en haar vierjarige zoontje door de stad waar zij wonen.
“Hier steken we over,” zegt ze plots gespannen. Ik kijk nieuwsgierig rond. Wacht er aan onze kant een bedelaar, drugdealer of prostituee? We steken over, en ik vraag me nog steeds af waarom. De openbaring komt van aan mijn hand. “Ik wil een ijsje!” zegt mijn neefje. “Nee!” zegt mijn zus kortaf. Het neefje begint te huilen.
“Ja, natuurlijk wil jij een ijsje … dat ziet er ook zo lekker uit hé,” zeg ik, terwijl ik me buk om samen met hem te kijken. “Zeg! Stop daar eens mee!” roept mijn zus. Ik kijk oprecht verbaasd op.
“Ik steek met opzet de straat over, zeg dat hij geen ijs mag en dan ga jij hem nog wat meer zin doen krijgen!” Mijn zus is écht boos, maar ik ben nogal onschuldig. Ik reageerde zonder nadenken. Dit zeg ik ook als mijn eigen kinderen geen ijsje krijgen.
“Papa, ik wil een ijsje.” “Oh” “Maar we krijgen geen hé?” “Ik denk van niet, maar we gaan wel eens piepen.”

Van piepen, krijg je geen rotte tanden. Dus kijk ik met mijn kinderen naar het lekkers dat in zo ongeveer elke winkel de aandacht van onze ogen opslokt. We praten samen over de kleuren en vormen van snoep, chips, ijs en taart. En dan pas … beslissen we of we gaan consumeren. Meestal niet, soms tot ergernis van de eigenaar van al dat lekkers. Maar als je het spel van de verleiding speelt, moet je tegen je verlies kunnen!

Mijn zus kan er nog steeds niet om lachen. Zelfs niet als ik haar verzeker dat ik zonder nadenken reageerde op haar zoontje.
“Het was toch ook gewoon waar,” mompel ik. “Wat was waar?”
“Hij wilde een ijsje en dat zei hij. En jij zei nee. Maar hij zei toch gewoon de waarheid.”
“Wát?!”
“Hij wilde een ijsje. Hij zei niet dat jij er één moest geven.”
Mijn zus wordt nu écht kwaad, dus probeer ik een grapje.
“Ik wed dat jij ook zin had in een bolletje.”
“Onnozelaar.”
“Mijn jongens zeuren ook om ijs hoor. Soms verschrikkelijk. En dan word ik ook boos”, licht ik toe.
“En dan zeg je heel luid NEE”, zegt zij.
“Hmm … ik zeg STOP MET ZEUREN.”
Zus zucht.
“Maar we weten samen dat we dat allemaal willen, en zijn samen flink en gedisciplineerd, ook al is het onder dwang”, ga ik verder.
“Wauw,” zegt mijn zus sarcastisch.
“Er is niets mis met willen, hoor.”

En zo gaan we nog wel even door. Broer en zus … Maar hier, in mijn column in De Bond, heeft de wakkere papa het laatste woord :)

De Wakkere papa

Alles is haalbaar

wapa 12 sept [Converted]”Wij gaan een snoephuis bouwen!”
Mijn zonen paraderen voorbij. De kleinste van drie draagt de snoeppot. De grootste draagt een speelgoedhuis. In de tuin van het huis staat een pot suikerstroop, beton voor zoetbekken. Ik schraap mijn keel. De stoet stopt niet.
”Jongens…”
”Ja!”
Twee guitige gezichten.
”Wat zijn jullie van plan?”
Twee verbaasde gezichten.
”Wij gaan een snoephuis bouwen.”

Ik ben niet akkoord, maar ik wil hen niet helemaal teleurstellen in hun aandoenlijke enthousiasme en potige ondernemingszin.
”Waar hebben jullie eigenlijk zin in? Eten of bouwen?”
”Bouwen!”, zeggen ze allebei. ”En dan opeten!”
”Ok… dan gaan we bouwen én eten. Maar géén snoep vandaag. En die stroop mag ook terug in de kast.”
Nu we weten dat het bouwen en eten belangrijk is, en niet zozeer wát we precies eten, kan de zoektocht naar alternatieve bouwmaterialen beginnen! We snijden stukjes appel en peer tot baksteen. Pompoenpitten blijken perfect als dakpannen. Een buisvormig koekje wordt de schoorsteen. Het vergt wat experiment om een plakkerig mengsel samen te stellen, maar bramenconfituur, honing en een wolkje bloemsuiker blijken een wonderlijke combinatie om alles aan elkaar te bevestigen. Zelfs het speelgoedhuis mag terug op haar plaats. Geen prefab hier! Wij bouwen alles zélf!
Het wordt een heerlijke ochtend. We bouwen en proeven,
renoveren en degusteren. Ons snoephuis wordt uiteindelijk een typisch Vlaamse mix van stijlen en materialen, bijgebouwen inbegrepen! Maar bijna alles is gezond, dus zegt er niemand ”stop”. Integendeel: het huis is zo groot, dat buurjongens erbij moeten komen om alles op te krijgen.
Mijn jongste zoon onthoudt vooral ons groene betonmengsel. De oudste onthoudt het samen bouwen én eten met zijn snel bij elkaar geroepen vriendjes. Ik onthoud een vraag: ”Waar hebben jullie eigenlijk zin in?” En ja hoor. ’s Avonds komt ze alweer van pas.
”Papa, heb je mij nu al ingeschreven bij de voetbalploeg?” vraagt de oudste.
Ik zucht. Twee trainingen én een match per week. Ik vind het wat veel voor een zesjarige. Wel… vooral voor die papa dan, die overal mee naartoe moet rijden. Maar hij zeurt er nu al weken over. En ik weet niet hoe ik hem kan… ok dan… ompraten.
”Wat wil je eigenlijk echt? Wat vind jij zo leuk aan voetbal?” vertaal ik mijn vraag van vanochtend.
”Lopen, op de grond vallen, samen spelen, tegen een bal sjotten, wedstrijdjes doen, winnen!”
”En zijn er nog meer dingen die je graag doet?”
”Klimmen, andere dingen met een bal, andere spelletjes,… ik doe heel véél graag hoor, papa!”
”Dus als ik een plek vind waar je dat allemaal kan doen, dan ga je liever dat doen en geen voetbal?”
”Mja… ja!”
Ja? Ja! Ik hoor het goed! Halleluja, het hoeft geen voetbal te zijn! Het mag ook iets zijn dat minder druk legt op papa en mama. Jeugdbeweging, omnisport,… of een voetbalclub die één keer per week traint. Waarom heb ik dit niet eerder gevraagd? Wat wil je eigenlijk écht? En plots blijkt elk antwoord… haalbaar.

De Wakkere Papa

Kusje geven

wapa 15 aug [Converted]Ik zit op het terras bij de buren, met een glas. We kijken uit over de tuin en onze spelende kinderen. Achteraan, ver van ons, wordt er gevoetbald. Vooraan vist mijn driejarige zoon samen met zijn enkele maanden jongere vriendinnetje, takjes uit het gras. Na een avondlijke zwempartij in het plonsbadje, zitten ze in hun blootje op hun hurkje, de hoofdjes half naar elkaar, half naar de grond gericht. Je merkt het al aan de verkleinwoordjes: extreem hoge schattigheidsgraad. Dus valt het gesprek van de volwassenen stil. En kijken wij vertederd.
Dan draaien plots de hoofdjes, en met op de achtergrond de ondergaande zon, geven onze twee prille kleuters elkaar een vurige kus op de mond.
”Marie!” roept de buurman. Zijn vrouw begint te giechelen. Onze kinderen schrikken op. Ze draaien zich in verbaasde onschuld naar ons toe. Er ligt iets gekwetst in hun blik. Dat raakt me. Ik ga aan het denken. Een paar jaar verder, wanneer jongens en meisjes elkaar na een pauze van tien jaar weer leuk mogen vinden: zouden ze bij hun eerste puberale kus, met de kamerdeur op slot, toch plots opschrikken en een blik op zich gericht voelen die er niet is? Zouden ze voor de rest van hun leven ietwat onzeker blijven over tederheid en seksualiteit: ’Is het iets verkeerds wat ik wil of, godbetert… doe?’
Want of je het nu afkeurt (”Marie!”) of er doodgewoon de aandacht op vestigt (”giechelgiechel”). Van iets wat vanzelf kwam, een spontane en complexloze uiting van liefde, maakten we iets dat opviel en beoordeeld wordt. En aangezien die twee kleintjes niet precies begrepen wat ze mis of bijzonder deden, blijft het voor hen nog meer hangen. In het slechtste geval tot ze op hun sterfbed beseffen: ik heb in mijn leven precies ergens een belangrijke trein gemist.
Nu… zoals gewoonlijk is het heel gemakkelijk om te zeggen wat er niet goed is aan de ouderlijke acties van de ander. En alles tot extreme proporties in lengte van jaren uit te vergroten. Maar ikzelf… zat met mijn mond vol tanden. Want aan de ene kant denk ik: wat is het probleem? Kleuterzwangerschap? Dat zie ik ook niet direct zitten. Maar verder? Het is moeilijk om af te bakenen welke vormen van tederheid voor welke leeftijd zijn weggelegd. Kus op de mond? Tongkus? Aai over de wang? Aai over de buik? Aai tussen de benen? En als ze dan toch aan de verboden vrucht zitten, wat is dan een gepaste reactie voor een ouder?
Het lijkt er nog het meest op dat we hopen dat ze het maar ergens achter een muurtje gaan doen. Want we weten niet goed wat zeggen of doen. We gniffelen eens, roepen hun naam of hebben simpelweg geen reactie in huis. Maar dat vind ik, als wakkere papa, eigenlijk te mager. Leerkrachten seksuele opvoeding: voed ons op!

De Wakkere papa

Opgebrande papa

Op een dag sta ik op, te moe om te kijken hoe laat het is. Te moe om me af te vragen welke dag het is. Het maakt ook geen verschil. Er is geen verschil tussen de dagen. Niet voor mij. Niet vandaag. Er staan kinderen naast mijn bed. Maar ik kan geen papa voor hen zijn.

“Jij bent ziek, papa,” zegt onze oudste.

Ik hoor zijn woorden, maar ze dringen niet door. Laat staan dat ik antwoord. Ik ga wél naar de dokter. Op de bus staar ik uit het raam. Bij de dokter ook. Zij onderzoekt. Dan kijkt ze onderzoekend.

“Jou mankeert niets fysieks,” zegt ze. “Ik maak me zorgen om jou.”

Ik zwijg.

“Wanneer ik andere mensen zoals jij nu zie, dan wil ik dat ze twee weken thuis blijven van hun werk, om te beginnen. Maar ik weet niet of daar jouw probleem ligt. Moet ik jou dan twee weken óverwerk voorschrijven? Twee weken minstens een volledige dag weg van het huishouden, van de kinderen?”

Voor wie bezorgd is over de wakkere papa. Dit was een fantasie. Niet echt dus. Nog niet. Ik zie het wel op me afkomen, na alweer een dag waarin ik enkel papa en huisman was. Enkel dat. Van ontwaken tot kinder-bedtijd … papa. Daarna de dag opruimen. Als het kan nog wat rekeningen betalen. Nog een was doen. De toiletten kuisen. En dan plof ik in de zetel. Eindelijk even voor mezelf. Maar zo is het niet. Want papa moet rusten en de huisman moet rusten. Maar een ander stuk van mezelf wil nog lezen, muziek spelen, een stukje over de wakkere papa schrijven. Maar die huisman en die papa hebben geen sprankeltje kracht, geen schijntje aandacht, geen druppeltje geduld meer overgelaten.

Plots zie ik het heel helder: het is niet goed zo. Dit blijft niet goed gaan. Enkele edities geleden schreef ik in deze rubriek de titel ‘geven geven geven … gieten’. Ik had die dag te veel gegeven, en goot water over mijn oudste zoon zijn hoofd. Oeps … Maar de volgende stap is erger: geven, geven, geven … burn out.

Ik wil er áltijd staan voor mijn kinderen. Dat doe ik graag. Maar er zitten ook andere stukjes in mij, die heel andere dingen willen. Heeft er iemand een idee hoe ik dat waar kan maken? Kleine details? Slimme trucs? Ik probeer ze de volgende weken uit! Wie weet staan ze al in de volgende editie van de bond te lezen!

De Wakkere Papa

Gevaar op de weg

wapa 27 juni [Converted]Ik rijd met mijn oudste zoon van de kruidenier naar huis. Ik op een grote fiets. Hij op een kleine. We rijden naast elkaar, gezellig. Voor heel even… Een auto nadert ons vanuit de andere richting. Hij vertraagt niet. Hij wil niet vertragen. Er is te weinig plaats om ons veilig te kruisen, dus stuurt hij zijn auto over het voetpad langs ons heen.
”Idioot”, grom ik.
Mijn zoon kijkt opzij.
”Wat, papa?”
”Pas op!”
Maar het is al te laat. Eén auto staat bijna een halve meter uit de rij geparkeerd.  In het midden van de straat, dus. Dat ziet een kind niet,
zeker niet als hij net opzij kijkt.
”Papa… ik ben tegen die auto gereden.”
”Ja, jongen”, zucht ik.
”Dat heb ik gezien…”
Ik meet de schade op. Er lijkt er geen te zijn. Ik aarzel om een briefje achter te laten. Maar het was uiteindelijk de auto die fout stond geparkeerd. Dus fietsen we verder. Nog één bocht en we zijn weer thuis. Min of meer zonder brokken, maar toch weer met de nodige stress.
”Pas op!”
Een tegenligger schiet plots uit de bocht, en komt aan onze kant van de weg op ons af. Ik grijp met mijn rechterhand mijn zoon bij zijn kraag. Met mijn linkerhand rem ik uit alle macht, en stuur ons tegelijkertijd de stoep op. De tegenligger steekt verontschuldigend zijn hand op.
”Hey!” roep ik.
”Rustig maar… U hoeft zich niet zo op te winden.”
De tegenligger rijdt door, dus zwijg ik. Maar als ik me niet mag opwinden over de luiheid en nonchalance van andere weggebruikers die bij élke rit mijn kind in gevaar brengen, wanneer mag dat dan wel?

De Wakkere Papa