Hand voor zijn ogen?

“Kind in fietsstoel aangereden en op slag dood. Dat ga ik eens lezen, zie,” mijn peter is op bezoek. Hij vouwt zijn krant open en zakt nonchalant onderuit.
“Amai … daar was een pak bloed bij,” vervolg hij. “Ja … als je dat ziet.”
Mijn oudste zoon kijkt met opengesperde ogen naar de grote meneer aan onze eettafel.
“Nog thee?” vraag ik.
Maar ook na deze afleiding boomt mijn peter op het zelfde pad door.
“Kijk hier! Bakfiets in het kanaal gereden. Kinderen op het nippertje gered. Die waren bijna verdronken!”
Ik houd mijn zoon in het oog. Wat denkt hij nu? Is hij bang? Probeert hij het te begrijpen, voor zich te zien? Durft hij morgen nog zijn eigen fiets op? Ik twijfel. Moet ik iets zeggen, uitleggen? Moet ik mijn peter een halt toeroepen met zijn doemverhalen? Maar terwijl papa denkt, schiet kleine broer in actie.
“Ja! Die bakfiets ging zooooo en vrooooeeeem plooooons!” stormt hij naar de eettafel. Hij botst aan een rotvaart tegen de benen van de bezoeker en vliegt met zijn guitige snoet dwars door de krant heen. De meneer is plots … een stukje kleiner. En grote broer, die net nog verstart zat te luisteren, barst uit in een lange, hikkende schaterlach.
Ik sta wel vaker in tweestrijd hierover. Hoe reageer ik als mijn kind dingen hoort of ziet, die wat mij betreft nog even verborgen mochten blijven? Of, erger nog: wat doe ik als iemand mijn kind vertelt dat alle blanken egoïsten zijn of dat de wereld volgend jaar vergaat? En wat als er nét een hond onder een auto springt, voor onze ogen. Het bloederige tafereel laten zien of toch maar snel omdraaien en langs een andere weg verder? Maar welk signaal geef ik als ik wegdraai? Maak ik hen dan niet nog banger van datgene dat ze niet mochten zien?
“Het is niet waar, hé, wat die meneer zei?” begint mijn oudste zoon er zelf over. “Jouw peter zei dat maar om mij bang te maken.”
“Het stond wel in de krant,” zeg ik.
“Maar het gaat niet gebeuren met ons.”
“Ik denk van niet. Wij rijden heel voorzichtig. Maar dan nog zou het kunnen.”
“Ja … maar het gaat niet gebeuren.”
Die relatieve zekerheid gun ik hem wel. En ik ben blij dat we erover gesproken hebben. Maar toch: bespreekt hij alles wat hem in verwarring brengt? Want ik sta natuurlijk niet elke keer naast hem, als hij zoiets hoort of ziet. Het gaat me een beetje duizelen als ik nadenk over alle invloeden en prikkels waar mijn zoon met zijn arme kleine, altijd nadenkende kopje … het hoofd aan moet bieden. En dan heeft hij het internet nog nauwelijks ontdekt …

De Wakkere Papa

Sssst … Papa slaapt

Het is midden in de nacht. Ik slaap. Of nee… ik slaap niet. Ik hoor iets. Gestommel op de trap. De deur zwaait open. Daar is mijn lief, klein jongetje. Hij kruipt bij mij in bed. Zonder iets te zeggen drukt hij zijn warme lijfje tegen mij aan. Hij kruipt helemaal weg in mijn omhelzing. Heerlijk voor hem. Heerlijk voor mij… de eerste halve minuut.

Daarna begint het te kriebelen. Ik zou me willen verleggen, maar dan schiet hij weer wakker. Ik heb het aan één kant gloeiend heet, en aan de andere ijskoud. Ik schuif een beetje op, maar hij schuift mee. Ik draai me om, maar hij kruipt over me heen. Ik draai nog eens. Nu moet ik nog plassen ook. Hoe laat is het eigenlijk?

Het is amper half één, zoals elke nacht die ik de afgelopen weken in hetzelfde huis als mijn jongens doorbracht.

“Ik steek hem terug in zijn eigen bed”, mompel ik. “Ik ben nu toch al klaarwakker, na mijn toiletbezoek.”

Maar ik weet dat hij toch terug komt. En mezelf opsluiten vind ik te ver gaan.

“Papa slaapt niet lekker als jij bij me ligt. Je mag alleen komen als je me écht nodig hebt”, zeg ik. Maar dat is een rekbaar begrip natuurlijk, zeker als je als kleine kleuter half dromend wakker wordt in een donker huis.

“Van mama mag ik wél komen ’s nachts”, zegt hij de dag erop. Zij wordt niet wakker. Ik wel. Ik pieker over liefde, scheiding en een nieuwe start. En over mama die dit wél toelaat, waardoor ik ’s morgens geradbraakt uit mijn bed stap. Ik word ziedend als ik eraan denk. Zij laat alles toe. Ze kan gewoon geen nee zeggen. Vroeger was het zo niet. Toen hoefde niemand de leukste ouder te zijn.

“Dit is écht niet langer houdbaar voor mij”, probeer ik haar uit te leggen. “En zolang jij toelaat dat hij élke nacht bij jou in bed komt, wordt hij natuurlijk ook wakker wanneer hij bij mij is. Hij wordt wakker uit gewoonte. Dan is hij bang. En dan komt hij.”

“Hij mag helemaal niet komen van mij”, zegt zij.

“Hoe … maar hij zegt.”

“Van mij mag het niet.”

“Van mij ook niet.”

“Van mama mag het wél”, zegt mijn jongste zoon.

“Ik heb het haar gevraagd. En zij slaapt ook slecht als jij komt”, zeg ik. “Blijf alsjeblieft in je eigen bed vannacht. En als het echt niet lukt, weet je dat ik er ben.”

Het is half één. Ik slaap. Of nee … ik ben wakker. Hoorde ik nu gestommel op de trap? Nee… ik word wakker uit gewoonte. Maar hij slaapt… of blijft in elk geval in zijn eigen bed. Al drie nachten nu. En papa ligt wakker. Hoe ouder je bent, hoe moeilijker je van gewoonten af raakt. Om te overleven, ga ik tegenwoordig twee uur vroeger slapen dan anders. Ook dat is een gewoonte geworden. Mijn hoofd begint te denken. Waarom kan hij het nu plots wel, na al die weken? Omdat hij weet dat mama en papa hebben gepraat? Dat we hierover op één lijn zitten?

“Misschien moeten we het dan ook eens hebben over het chocoladeverbruik,” mompel ik. Dan glijden mijn ogen toe. Denk ik.

Bitloze kinderen? Think again!

Herfstvakantie. En tòch lekker warm! Warm genoeg om in het ijskoude water van een aangelegd speelbeekje te spelen? Daarover lopen de meningen uiteen.

Ik laat mijn jongens met hun fiets door het ondiepe water rijden. Lekker stoer. Dat vind ik niet. Maar ik voel het in de goedkeurende blikken van sommige collega ouders. Anderen sturen me een heel andere lading. Want dankzij mijn spetterende kinderen, wil ook hun kroost natuurlijk het beekje in.

“Mama, ik wil in het water. Die kindjes doen dat toch ook.”

“Pffff … maak jezelf niet nat hé. Op je goeie schoenen.”

Maar goeie schoenen zijn zelden werkelijk goed. En zeker niet als het erom gaat recht te blijven op de glibberige oevers van een nepbeek. De een na de ander knalt in het water. En het is lekker warm. Maar niet warm genoeg om zo te blijven rond lopen.

“Goh … nu moeten we naar huis! Komaan! Ga je zus maar vertellen dat het weer zover is!”

Mijn jongens overleven verschillende drenkelingen. Ze worden wel bekogeld met giftige blikken, net als hun vader. Ik kén die blikken. Ik weet hoe sommige mensen zich mijn vaderlijke strategieën verkeerd beoordelen.

“Kijk die kinderen hier wild rond rijden,” voel ik ze denken. “In hun onderbroek en met blote voeten in hun laarzen. Allebei al in het water getuimeld. En dan straks zo naar huis, en morgen ziek. En dan mag mama of oma ermee naar de dokter, zeker.”

Mijn eigen moeder wordt trouwens gek van angst als ze met mij en mijn jongens door de stad loopt.

“Laat je hen zo ver vooruit gaan? Is dat niet gevaarlijk? Hier rijden wel auto’s hoor!”

Ik voel dat ze me onverantwoordelijk vindt. Dat ze denkt dat ik mijn kinderen niet onder controle heb. Ooit noemde ze het ‘bitloos’, zoals paarden die bereden worden zonder bit in hun mond. Ze ziet het als een soort van luiheid of nonchalance van mijn kant. En dat steekt me. Want ik heb verdorie jarenlang mijn verantwoordelijkheid genomen. Ik begeleid mijn kinderen elke dag in het verkeer. Ze weten perfect waar ze zich aan moeten houden. En net daarom kan ik hen nu ver vooruit laten gaan. Dat doe ik niet zomaar uit gemakzucht. Wél omdat ik kan vertrouwen én bouwen op gewoontes waar ik hard aan heb gewerkt.

“Jongens!” roep ik opzettelijk luid bij de nepbeek. “Zijn jullie nu niet blij dat jullie deze ochtend laarzen moesten aandoen? En dat jullie je jas, trui, broek en kousen uit moesten trekken voor jullie het water in mochten? Zo hebben jullie, als jullie vallen, dadelijk nog lekker droge kleren.”

Mijn jongens kijken me even aan. Ze halen hun schouders niet begrijpend op. Papa doet raar. Maar mijn andere toehoorders hebben de boodschap vast wel begrepen.

“En hebben jullie het nog niet koud? Want dan komen jullie er maar uit hé. Papa heeft een handdoek mee gebracht,” voeg ik er nog een leugentje aan toe.

Want, werkelijk, moeder en anderen: mijn kinderen zijn niet bitloos. En ik niet nonchalant of lui. Integendeel. Ik werk hard en doordacht aan trucs en regels waardoor mijn kinderen op een verantwoordelijke manier zoveel mogelijk vrijheid krijgen om voluit wild kind te zijn. Dat kost mij tijd en energie, en daar heb ik geen moeite mee. Maar die blikken of gedachten … laat die de volgende keer eerst nog maar wat langer dwalen, voordat ze mij lastig vallen.

Prikzalf

“Mama gebruikt nooit prikzalf!”
“Is dat zo?”
“Ja. Dat zegt ze.”
Mijn haren gaan overeind staan. Maar ik zwijg. Dat valt mijn jongste zoon een beetje tegen. Hij is uit op ruzie, want ik verzorgde een wonde … met prikzalf. En hij weet dat hij mij op mijn paard krijgt als hij me vergelijkt met mama. Maar deze keer hap ik niet.
“Stoute papa,” voegt hij er dan maar verbolgen aan toe.
Ik kijk op het flesje. Kan kortstondig een prikkelende reactie geven. Een prikzalf dus. Maar wél het beste middel voor dit soort wonde.
“Jij bent mijn vriend niet meer.”
“Oké …” zeg ik.
“En ik ben ook jouw zoontje niet meer.”
“Je blijft altijd mijn zoontje,” glimlach ik.
Vijf minuten later. We zitten op bed. Mijn jongste zoon heeft net een slaapverhaal gekregen. Nu masseert papa zijn voeten, terwijl we samen een liedje zingen.
“Mama is eerste vriend,” onderbreekt hij plots. “Broers is tweede vriend.”
Ik zucht. Minst populaire gezinsgenoot van mijn zoon. Ik kan ermee leven. Derde is tenslotte ook brons. Maar zoonlief is nog niet klaar.
“Dan komt oma, en moeke. Dan opa en peter. Dan Elyas, Furkan en Paramvir.”
Het gaat nog even door. Maar papa ontbreekt in de lijst. Geen probleem. Ik wil niet zijn beste vriend zijn, maar een goede papa. Ik wil hem goed verzorgen, hem begeleiden in zijn ontwikkeling in het leven en hem op weg helpen naar fijne kinderjaren. Soms hoort daarbij: prikzalf. Niet omdat ik mijn kinderen graag pijnig, maar omdat het op iets meer dan hyperkorte termijn beter is voor hem. Soms weet papa het beter, en dan doet hij dingen die zijn kleine jongen niet wil.
Daar sta ik helemaal achter. Ik houd rekening met wat mijn kinderen zeggen, maar hoef niet altijd datgene te doen wat zij op dat moment het liefste willen. Maar toch steekt het dat ik keer op keer die topvriendenlijst zelfs niet haal. Want het ouderschap is geen wedstrijd, en ik kan best tegen mijn verlies. Maar soms voel ik me als die klassieke huismoeder die doodmoe na een hele dag alles doen voor haar kinderen, chagrijnig wordt als papa vlak voor slaaptijd thuiskomt, zich in de zetel zet en door de kinderen ontvangen wordt als de grote held of … eerste vriend.
Ik draai er voorzichtig om heen. Maar u heeft het begrepen. Hier schuilt een verwijt aan eerste vriend van mijn jongste zoon: mama. Ik wil graag met haar samenwerken in de opvoeding van onze kinderen. Maar soms heb ik het gevoel dat zij er vooral op gericht is om haar momenten met de kinderen leuker te maken … dan de mijne. Leuk! Lekker! Maar is het niet wat mager als enige perspectief op het ouderschap?
En bovendien, al is het waarschijnlijk een beetje overdreven: soms heb ik het gevoel dat ik het gewicht van sommige andere stukken ouderschap helemaal alleen draag. Dat de minder heldhaftige stukken steeds maar weer bij mij worden gedumpt. En dan nog laatste vriend zijn ook. Dat prikt. Heeft er iemand een zalfje?

De Wakkere Papa

Wakkere zoon

Ik vind mijn vader op een terrasje in het centrum. Hij nipt, onder een oranje parasol, van zijn glaasje witte wijn.
“Ook een wijntje?” vraagt hij nonchalant.
Goed geprobeerd. Maar ik weet dat het niet goed met hem gaat. Hij heeft het moeilijk. Ik lees het op zijn gezicht. Een krampachtige grimas. Ik zie het aan zijn bewegingen en zijn gedrongen houding. Zijn ogen kijken verward en bezorgd de wereld in. Als iemand nogal lawaaierig een stoel verschuift, krimpt mijn vader ineen en kijkt verwijtend in de richting van de dader. Alles is te veel.
“Wil je even kijken naar mijn achterhoofd?” vraagt hij.
Ik kijk, schrik me rot van de wonde en besluit rustig te blijven.
“Je moet hiermee naar het ziekenhuis, papa.”
“Dat gaat vanzelf wel over.”
Mijn vader heeft een lange en diepe snee in zijn achterhoofd van wel tien centimeter. Die heeft hij al van ’s ochtends vroeg. Hij was even bewusteloos en moet om de tien minuten braken. Kortom: hij moet dringend naar het ziekenhuis. Maar ik, zijn zoon, moet hem ervan overtuigen die karaf witte wijn in bewaring te geven bij de bar. Voor straks …
In het ziekenhuis spreken artsen en verpleging automatisch mij aan, niet mijn vader. Hij heeft een gehoorprobleem, komt verward over en zonder mij zou hij zeker niet naar spoed gekomen zijn. Maar ik ben niet klaar om die rol op me te nemen en voor mijn vader te gaan zorgen. Mijn jongste zoon is net uit de luiers. Ik wil dit niet.
Toch moet het op dit moment. Het lukt hem niet, en niemand anders gaat het voor hem doen. Ik wou dat we nog in een tijd leefden dat mensen dicht bij elkaar woonden, en samen een netwerk konden vormen. Mijn vader woont tachtig kilometer bij mij vandaan, en zestig kilometer van bij mijn zus. Ik woon drie dagen per week bij mijn kinderen, drie dagen per week op mijn eigen plek. Hoe kan ik dit er nog bij nemen? En is het wel mijn taak? Ik begin te tellen: wat heeft mijn vader eigenlijk voor mij gedaan?
Maar zo zitten de dingen niet in elkaar en zo reken ik niet. Ik bel mijn zus. Zij heeft hetzelfde gevoel. En hoewel dat niets oplost, haal ik opgelucht adem. Ik ben niet alleen.
Twee weken later. Ik probeerde mijn vader elke dag te bellen. In tegenstelling tot mijn zus, slaag ik daar niet in. Maar ik bel. En hij klinkt beter, helder. Hij ging naar het ziekenhuis, met mijn zus. Hij rust, en wordt beter. Maar hoeveel beter? En wiens verantwoordelijkheid is het daarover te waken? De mijne? Die van mijn zus? Niemands verantwoordelijkheid? We nemen het op ons. Mijn zus en ik. Zo ver als nodig is. We doen het papa, tot waar je het zelf kan. Je bent als mens te waardevol om zomaar in het moeras te laten zakken.

Oeps … niet gezien

Een culinair festival in onze stad. Daar zijn we bij. Rijen tentjes en massa’s mensen. Mijn jongens glippen tussen benen door naar de proevertjes. Ze duiken snel weer op met glunderende monden vol stroopwafels, toastjes confituur, kersen, noedels, gebakken banaan en ander lekkers. Toegegeven: ik ben niet van plan om veel te kopen. Misschien een pot perenstroop. En een exotisch hapje voor het goede doel. Dus vraag ik me af of ik mijn kinderen eigenlijk wel mag loslaten op alle standjes. Ik houd het sowieso binnen de perken. Ze mogen nergens meer dan één proevertje.
“Is het lekker?” vraagt een kramer aan mijn jongste zoon. “Dan moet papa maar een grote pot kopen hé!”
Hij kijkt triomfantelijk mijn richting uit. Maar papa heeft nog hopen zelfgemaakte confituur in de kelder… Ik sta gelukkig ver genoeg om de kramer niet gehoord te hebben. Dus heb ik hem niet gehoord. Tenslotte: misschien zijn dit niet eens mijn kinderen ☺. En bovendien: die schaaltjes dienen om mensen tot een aankoop te verleiden. Een berekende gok. En wie gokt, moet tegen zijn verlies kunnen.
Twee tentjes verder intussen. Een workshop voor kinderen. Voorgemaakte cakejes versieren. Er zijn acht stoelen rond twee tafeltjes. Wij wachten tot er een plaats vrij komt. En we kijken toe. Een klein meisje laat haar suikerpasta vallen op het modderige gras. De papa heeft het overduidelijk gezien. Hij probeert in een reflex de suikerpasta zelfs nog te vangen. Het meisje kijkt snel achterom of papa kijkt. Papa doet alsof dat niet het geval is. Daarop raapt het meisje de heerlijke, maar modderige suikerpasta van de grond en mikt alles in haar mond. Heerlijke scene. Variatie op hetzelfde thema. Ouders die doen alsof ze een vergeeflijke maar toch ietwat beschamende actie van hun kinderen niet hebben gezien. Blijkbaar ben ik niet de enige die deze truc gebruikt!
Terwijl we wachten, dagen meer kinderen op. Dreinende kleuters zetten druk op hun ouders. “Nu mag ik, hé!”
Sommige ouders leggen hun hand expliciet op een stoeltje. Anderen instrueren hun kinderen alvast hoe ze zo dadelijk snel een stoel moeten bemachtigen. Weinigen letten erop wie nu eigenlijk al het langst staat te wachten. Ik en mijn twee zoontjes, namelijk.
“Dat was het einde van de workshop, kinderen!”
De spanning stijgt. Kinderen op de acht plaatsen staan recht. Mijn oudste zoon gaat pijlsnel zitten op het stoeltje waar wij bij staan. Mijn jongste zoon wringt zich snel naar een ander stoeltje, laveert tussen twee meisjes die erom ruziën en negeert een mama die deze allerlaatste plaats probeert te kapen voor haar eigen kind. Drie ouders kijken boos naar mijn jongste zoon. Ik zie hun blikken zoeken naar de mama of papa. Ik dus. Maar ik veroer me niet. Tenslotte: wij stonden hier al het langst. Net daarom reageerde mijn jongste zoon ook zo kwiek. Dus doe ik alsof ik hem niet ken. Maar ik ben wel trots. Als je in je recht staat, mag je gerust wel eens assertief zijn. Dat heeft hij goed gedaan. En papa haalt nog een keer zijn trucje boven. Niets gezien? Dan moet papa ook niet ingrijpen… ☺

De Wakkere Papa


Nog variaties op hetzelfde thema? Post ze op de blog!

Kinderloze dagen

Kinderloze dagen. Ik plan ze niet. Meestal staan ze leeg in mijn agenda. In het begin was dat een regelrecht fiasco. Ik was het niet gewend om zonder mijn kinderen te zijn. Voor mijn scheiding was ik er bijna altijd voor hen. Dat was mijn keuze. Nadien was ik halftijds papa. Maar wat met de andere helft? De eerste kinderloze keer was de ergste. Ik moest plots weg, ook al hoefde of wilde ik nergens heen. Ik vergat… alles mee te nemen. Ik fietste doelloos rond, kwam natuurlijk niemand tegen en weende dan maar mijn machteloze tranen op het grasveld van een anoniem park in de buurt. De tijd tikte traag. Lege minuten huilde ik voor me uit. Zo sterk als ik me ooit had gevoeld in mijn vaderrol, zo waardeloos voelde ik me nu. De tijd verstreek en er was niets wat ik te doen had. Geen was om in te steken, geen fruitje om te schillen, geen kind om op te halen van school, geen handje om vast te houden bij het lopen. Ik was het niet meer gewend om een seconde voor mezelf in te vullen. En plots lag daar een zee van tijd… voor mij.
Dus wat na het huilen? Ik stelde tot mijn verbazing vast dat ik, bij het naar buiten gaan, mijn gitaar had mee gegrist.  Ik speelde en, werkelijk, de zon brak door de wolken. Ik haatte dat. Want ik wilde helemaal niet dat dit een fijn moment kon worden. En toch genoot ik van de zon en van het spelen. Van het gras en het zitten. Van het niets doen. Van de tijd die verstreek en dat het niet erg was. Want er was geen dringend eet- of slaapuur. Er was helemaal niets, behalve ik, het grasveld, de zon en mijn gitaar.
We zijn ondertussen jaren verder. Ik probeer zo weinig mogelijk te werken op de dagen dat ik bij mijn kinderen ben, zoveel mogelijk op de andere dagen. Zo is er altijd wel iets. En plots, midden in de zomer, ligt er geen werk op de plank, en gaan de kinderen zo dadelijk voor zeven volle dagen weg. Ik kijk er naar uit, en daar haat ik mezelf al lang niet meer voor. Want binnen zeven dagen kijk ik ook weer uit naar het vaderschap. Maar ik heb niets gepland. Ga ik een paar dagen weg? Pak ik wat klusjes in het huis aan? Zoek ik mijn zus op?
Een sms loopt binnen. Een vriendin danst straks op een theaterfestival. Twee uur later sta ik daar.
“Je bent er geraakt?! Ik dacht dat ik het veel te laat liet weten”, zegt ze verwonderd.
“Ik ben sinds anderhalf uur kinderloos”, zeg ik. “Dan kan het snel gaan.”
En ook de volgende dagen hebben verrassingen voor me in petto. Ik ontdek dat de dag een avond heeft. Ik kan nog om acht uur vertrekken voor een lange fietstocht. Er moet immers niemand gaan slapen. En ’s morgens staat er niemand aan mijn bed. Ook geen werkwekker. Ik ontdek dat ik helemaal geen belang hecht aan vaste dagschema’s. Ik eet… af en toe. Ik ben lui én actief. Ik beslis alles impulsief, zonder plan. Er hangt niemand anders af van mijn beslissingen, en dat werkt bevrijdend.
En toch raak ik soms weer verstrikt in negatieve gedachten. Kinderloos… Waarom dat woord? Omdat ik ze nu niet kan hebben misschien? Ik ben gescheiden van mijn eigen kinderen. Verplicht gescheiden. Ik haat dat idee. Ik vind het verkeerd en ik walg ervan. En die heerlijke, verheerlijkte vrijheid dan, dat even alleen voor mezelf? Alsof ik daarvoor halftijds kinderloos moet zijn? Er zijn andere manieren, toch?
Ik adem diep. Het is zoals het is. En zo zal het zijn. Dus maken we er samen nog iets heel moois van, en op kinderloze dagen doe ik dat… alleen!
De Wakker Papa