Nooit meer heel

Ik zit, zoals ik dat wel vaker vind, op de mooiste plek op aarde. Een zacht bed van dennennaalden onder mij. Takkenkruinen omringd door blauwe lucht boven mij. En overal rondom mij rechte dennenstammen, met daartussen glinsterend, lief golvend water.
En het wordt nog mooier. Van over een zandstrandje links van mij komt een meisje aangewandeld. Acht, misschien negen jaar. Zoals mijn oudste zoon. Ik zie, tegen de zon in, alleen haar silhouet. Ze stapt precies op de waterlijn, voetje voor voetje. Achter haar volgen een kleiner meisje en jongetje. Nog verder een man en vrouw. Ze komen dichter, een prachtige karavaan van scherp afgetekende figuren. Ze beklimmen samen, met vereende krachten, de heuvel waarop ik zit.
De man knikt vriendelijk. De vrouw spreidt een deken uit en vult het met heerlijke hapjes. “Oh mama,” zegt het meisje, “dit is zo leuk!” “Het was papa’s idee hoor,” zegt de vrouw.
De papa slaat zijn arm om de schouders van de mama. De kinderen komen erbij in een warme knuffel op deze magische plek. Mijn stemming slaat om. Mijn maag schiet in een kramp. Ik besef met een koude klap dat dit precies is waar ik in het leven nog het meest naar verlang. Zo’n gezinsmoment. Zo’n samenzijn dat elke mooiste plaats op aarde nog duizendmaal blinkender doet stralen. Ik heb daar zo weinig van gehad. Ik was nog geen drie jaar toen mijn ouders uit elkaar gingen. En later was mijn oudste zoon er net drie bij het breukmoment tussen zijn moeder en mij.
Terwijl ik verder kijk naar dit mooie moment waartoe ik niet behoor, besef ik: dit is niet voor mij weggelegd. Deze heelheid, iedereen die er is. Het staat gewoon niet op mijn programma. Nooit meer. Het valt me zwaar. Maar ik neem dit nieuwe begrijpen van mezelf aan, zonder sentiment. En, ik zweer het, precies op dat moment verdwijnt de zon achter de lage wolken.
Ik neem een stuk papier en schrijf alles op. Wat moet ik er anders mee? Tegen de tijd dat dit stukje is geschreven, daar op die heuvel boven het water, is het gezinnetje alweer verdwenen. Ik heb hen niet eens zien vertrekken. Ik sta op, rek me uit en zucht. En dan, op dat uitgelezen moment, floept de zon totaal onverwachts, toch nog eens onder de wolken uit. Het water blinkt. De hele heuvel baadt in goud. Een eend kwaakt vrolijk. Voor mij alleen.

De Wakkere Papa

Vader, moeder zult gij…!

“Papa. Heb je mijn band nu nóg niet opgepompt?”
Mijn vijfjarige zegt het aanvallend, vol onbegrip. Ik reageer niet.
“Papa! Luister naar mij!” roept hij.
Ik kijk récht voor me uit.
“Papaaaaaaa!”
Ik wacht tot hij kalmeert.
“Papa, waarom hoor je mij niet?”
“Wát?” zeg ik, gespeeld maar overtuigend boos. “Was jij daarnet zo tegen míj aan het roepen?”
“Ja!”
“Oh! Leer dat dan maar gauw af! Want zo spreek je niet tegen je papa, of je mama. En wees ook maar beleefd tegen andere volwassenen. En knoop maar in je oren dat ik nooit, nooit zal reageren als je zo tegen me praat.”
Het klinkt heel dictatoriaal. Maar ik meen het, hoor. Dit is geen grap.
Ja: vader, moeder zult gij eren. En dat verdien ik ook. Ik had zijn band niet opgepompt, maar ik heb wel zijn lievelingssoep gekookt en haal hem ’s middags lekker op aan school. Dan wil ik niet afgesnauwd worden. Mondigheid is prima, maar als kinderen dan toch mondig zijn, dan mogen ze meteen leren om wát ze te zeggen hebben, op de juiste manier te zeggen.
Ik ben er extra gevoelig voor sinds ik regelmatig tandenknarsend meemaak hoe onrespectvol mijn bonuskinderen soms spreken tegen hun moeder, mijn vriendin. Zo ver ga ik het met mijn enkele jaren jongere jongens écht niet laten komen, denk ik dan.
Hoe lang is het geleden dat vader zichzelf eerst mocht bedienen aan tafel? Eén
generatie? Misschien twee. Nu zie ik in de meeste gezinnen dat de ouders als laatste krijgen. Zo doe ik het ook. Ik eet de restjes. Het zegt wel iets, hé. Kinderen zijn vaak koningen, en dat heeft iets moois. Maar het kan ook schaduwkanten opleveren, zoals een totaal ongepast gebrek aan respect. En ik ben niet bereid dat te verdragen. Want we doen het maar allemaal, hé. Taxi, brood op de plank, proper huis, propere kleren. En daar moet niets tegen overstaan. Kinderen moeten niet mee gaan werken om geld binnen te brengen. Gelukkig. Meehelpen in het huishouden is ook al niet meer zo evident. En dat hoeft voor mij allemaal ook niet per se. Maar respectvol, beleefd en wellevend tegen mij spreken: dat is mijn absolute ondergrens. Nozems! 🙂

Dochter voor een dag

“Mijn haar moet nog gedaan worden, hé.” Ik draai me om in de hal van het zwembad, zet mijn rugzak weer neer en glimlach. “Oké. Tijd genoeg. Zeg maar wat ik moet doen.” “Eerst haren uitwringen. Dan helpen met de droger. En dan weer opsteken.” Stap drie blijkt het moeilijkst. Ik krijg het haar niet meer in de gewenste vorm opgestoken. “Niet erg… maak dan maar gewoon een staart.” “Een staart?” Ik breng, voor het eerst, een volledige dag door met mijn bonusdochter. En ook al kennen we elkaar al heel goed, en zorgde ik op veel momenten voor haar: zo’n volledige dag blijft toch iets anders. Ik kreeg, bijvoorbeeld, geen programma mee zoals ‘halfnegen aan de tekenacademie. Koekje en drankje meegeven.’ Nee. Niets. De dag is leeg, en het is aan ons tweeën om hem te vullen tot bedtijd.
‘s Morgens kies ik, zoals ik met mijn eigen kinderen doe, een huishoudelijke taak die ik kan doen in de buurt van waar er gespeeld wordt. Strijken naast het poppenhuis. Algauw staat zij mee te stomen op haar kleine plankje. We zijn soms samen, soms alleen in huis tot de middag. Dan vertrekken we met de fiets. Zonder vast plan, maar mét een boodschappenlijstje, zwemkledij en nog uren tijd.
Ik vind het heerlijk om met haar rond te gaan. Als ze moe is, laten we haar fiets achter en komt zij bij mij achterop. We nemen de luxe om niet naar de tijd te kijken. Hoe meer de dag vordert, hoe meer ik voel dat mijn positie verandert.
Bonusvader, stiefvader. Sommigen zeggen ook pluspapa. En zo voel ik me vaak ook. Iemand die aan een situatie wordt toegevoegd. Ik help wat, vul de gaten op. Maar mijn ‘plus’ verandert weinig aan het bestaande systeem. Regels, gewoonten, afspraken… alles loopt door. En ik help op kousenvoeten, om niets te verstoren.
Vandaag is dat niet zo. En daar genieten we allebei van. Mijn bonusdochter maakt kennis met hoe ik zélf vader. Ik sta, na een poosje, helemaal in mijn eigen vaderlijke kern. En ze vindt het, alvast voor één dagje, prima! We rijden rond, doen dringende en minder dringende boodschappen, babbelen op een bank, plonzen uren in het zwembad en haasten ons uiteindelijk nog om voor het donker thuis te zijn. Een onverhoopt geschenk van het leven: ervaren hoe het is om een dochter te hebben, voor één dag. En leren hoe je een paardenstaart maakt.


Ben jij ook een plusouder? Of had je om een andere reden ooit een héle dag met andermans kind? Vertel!

Onsportieve opa

Het was niet mijn idee om van mijn zonen vurige veldritfans te maken. Eerder dat van hun opa. Ergens had ik gehoopt dat hij eerder zijn voorliefde voor verfijnde humor, gedurfd theater en de betere film zou doorgeven aan zijn kleinzonen. Maar goed … je krijgt wat je krijgt. Ooit zagen mijn jongens veldrijden op televisie. Ze vonden het geweldig. Het wordt ook magistraal in beeld en klank gebracht, moet ik zeggen. En toen opa lucht kreeg van het enthousiasme van zijn kleinzoons ging hij het vuur meer en meer oppoken.
Nu gaat er geen winterse weekenddag voorbij of mijn zonen vragen: “Is er koers geweest?” Ik vind altijd wel een online samenvatting waar ze heel blij mee zijn. Mijn jongens zijn extreem betrokken, op verschillende manieren, voor, tijdens én na de cross. Buiten crossen ze op hun loop- of pedaalfietsen door het gras, de perken en (helaas) het kippenhok. Hoewel dit nergens nodig is, heffen ze af en toe hun fiets op, voor de vorm. Ik verzin dit niet. Ze doen het soms zelfs op weg naar het station, liefst wanneer ik haast wil maken om de trein te halen. Even honderd meter lopen met de fiets … Commentaar geven doen ze ook, tijdens de uitzending, bij hun spel met knikkers, in hun slaap. Soms zelfs wanneer papa fietst met hen achterop … en een sportievere fietser ons voorbij knalt. “Daar gaat van der Poel!”, roepen ze dan. “Oh oh oh! Van Aert gaat erover. Oh nee … het is Van der Haar!”
“Maar van der Poel is wel zwaarder geladen hoor,” puf ik dan. Ik vraag wat mijn jongste zoon wil doen voor zijn verjaardag. Met een paar kindjes, zonder extra kindjes? Thuis, zwemmen, schaatsen, naar de natuur, …
“Is er koers? Ik wil met de kindjes koers kijken!” Freaks …
Eerst dacht ik: “Moet ik dit wel verder stimuleren? Waar gaat dit eindigen?” Maar ik kan er eigenlijk ook vrij weinig tegen in brengen. Sport is ongetwijfeld stichtender dan een deel van het andere aanbod op televisie. Dus kijken ze regelmatig naar een veldrit, of een samenvatting. Ook de ronde van Frankrijk, Spanje of zelfs, godbetert, Groot-Brittannië komen intussen aan bod. En natuurlijk het voetbal, en de olympische én paralympische spelen. Whatever. Als het maar sport is.
Wat is dan eigenlijk het probleem? Wat heb ik tegen deze sportieve interesse van mijn zonen? Het is die opa. Hij stuurt zelfs mij, zijn ex-schoonzoon, soms berichtjes voor zijn kleinzonen, zoals deze: “Gisteren scoorde een Belg in de finale van de Champions League. Carrasco.” Hij zorgt er ook voor dat mijn kinderen perfect weten welke derderangs wielerwedstrijd er tijdens mijn dagen met hen op televisie is, zodat zij kunnen zeuren om ernaar te mogen kijken of er op tijd voor thuis te zijn. Ik kan nog amper het huis uit als het van hem/hen afhangt.
En zelfs dat op zich is allemaal niet zo erg. Maar het punt is: opa is zélf niet zodanig geïnteresseerd in sport. Nooit geweest. Je voelt langs alle kanten dat hij die sportmanie gebruikt om de jongens aan zich te binden, en bij hen in het gevlei te komen. Om de leukste grootouder te zijn. En dat is niet nodig. Want de jongens hebben hun opa sowieso graag. Dus waarom dan nog zo manipulatief doen? Wel … ik vind het gewoon niet sportief.


Wie manipuleert jouw kinderen? Vriendjes, oma, mama, de televisie?

Chill = lui

Ik zit met een vriend op een terrasje. Zijn en mijn kinderen spelen in de speeltuin. Daar is – naast een glijbaan, speeltoren, wipplank, draaimolentje én een klimnet – maar één schommel. En dat is blijkbaar genoeg om een gevecht in regel te laten ontstaan. Er wordt gestampt, getrokken en geduwd. Mijn zonen bewerken elkaar, en de zoon en dochter van mijn vriend doen hetzelfde. Het geweld blijft binnen de eigen familie.
“Dit is uitzonderlijk,” zeg ik. “Zo in het openbaar vechten doen ze zelden. Maar thuis wordt er de laatste tijd bijna elke dag wel eens gekrabd of geknepen.
“Ach… dat zijn jongens. Laat ze maar doen. Wij waren met vier broers vroeger. En wij klopten de hele tijd op elkaars smoel,” zegt mijn vriend.
“En stonden jullie ouders dat toe?”
“Nee, dat niet. Wij vlogen naar onze kamer als ze het zagen.“
“Maar jij laat jouw kinderen doen?”
“Och…”
Mijn vraag was eerlijk, want ik heb nog niet de juiste manier gevonden om met dat geweld om te gaan. Helemaal de kop indrukken met gigantische straffen hoeft niet per se voor mij. Ik vind het wel goed dat mijn jongens kennismaken met mild geweld, in de veilige broederband. En het leren goedmaken. Maar ze moeten zich ook leren inhouden. En ze moeten vooral niet denken dat geweld als oplossing normaal of aanvaardbaar is.
“In mijn klassen in het middelbaar worden ook woorden gebruikt die ik liever niet hoor,” zegt mijn vriend. Hij is leerkracht Engels. “Maar goed… dat zijn pubers, hé. Wat doe je eraan?”
Ik denk even na of ik zou uitspreken wat er op het puntje van mijn tong ligt. Want natuurlijk moet je niet met je kinderen naar een psychiater hollen omdat ze een keer fysiek met elkaar in de clinch gaan. En uiteraard is je puber niet meteen abnormaal als hij wel eens een ongepast woord gebruikt – misschien eerder omgekeerd. Maar als we als ouders, leerkrachten en volwassenen helemaal géén signaal geven bij zo’n ongepast gedrag, doen we dan wel onze job?
“Ik vind het lui,” spreek ik toch mijn eerste gedachte maar uit.
“Lui?”
“Ik vind dat we luie ouders zijn als we dat allemaal zomaar laten gebeuren. Vechten? Typisch voor jongens. Blijf maar lekker zitten op je terrasje. Schelden? Normaal voor pubers. Vooral niet reageren. Slurp maar van je drankje. Laat ze doen.”
“Denk je nu niet te veel na?” vraagt mijn vriend.
“Wel… dát is pas een luie uitspraak!” zeg ik lachend.
Maar eigenlijk meen ik het. En nee: ik vind mijn vriend geen slechte ouder. Want hij grijpt natuurlijk ook wel in vanaf een bepaald punt. Maar die stoere, nonchalante houding van ouders die chill blijven en al het gedrag van hun kinderen, hoe ongepast ook, relativeren om wat voor reden dan ook… Dat wil ik best nog eens herhalen: ik vind het niet chill. Ik noem het lui.

De Wakkere Papa


Ben jij een chille ouder? Heb je soms geen zin om je kinderen op te voeden en laat je ze maar doen? Vindt jij de wakkere papa misschien ook… té wakker?

Seksueel misbruik en mijn kinderen

Af en toe wordt nog eens een blik slachtoffers van seksueel misbruik opengetrokken op radio en televisie, in kranten en tijdschriften. Ook in dit nieuwe jaar duiken er nog altijd volwassen mensen van veertig, vijftig en zestig jaar oud op die voor het eerst spreken over hoe ze in hun kinderjaren werden betast, verkracht of op een andere manier misbruikt.
Ik besef dat ik me nogal bot uitdruk. Maar dat is niet uit gebrek aan respect voor de volwassenen die ooit die arme jongens en meisjes waren. Het is om uw aandacht te trekken. Want als wakkere papa hoor ik niet alleen mijn slaap te laten als zoonlief ziek is, gepest wordt, niet wil eten, niet wil slapen, zich verveelt of een nieuwe hobby zoekt. Nee. Ook hierover lig ik wakker. Klaar wakker. En ik zou willen dat we dat heel even met z’n allen doen.
Want dát het gebeurt, is afschuwelijk. Maar dat zoveel mensen er naderhand twintig, dertig, veertig jaar en soms voor eeuwig over zwijgen: dat is een nog afzichtelijker monster. Hoe kan ik zeker zijn dat het over even veel jaren niet de beurt is aan mijn kinderen om eindelijk hun verhaal te doen?
Ik doe alvast mijn best. Soms klopt mijn jongste zomaar tussen de benen van mijn oudste. Recht in de ballen. Of mijn oudste trekt in bad aan de piemel van mijn jongste. En de jongste zegt: “Nee, dat wil ik niet!” Dan ben ik héél gelukkig. Want ik hou er niet van om dit soort gesprekken zonder aanleiding te voeren. Alsof lichamelijkheid, tederheid, seksualiteit … en piemels alleen maar gevaar, pijn en slechtheid betekenen. Die boodschap wil ik niet geven. Maar nu het zich toch voor mijn ogen stelt, kan ik heel losjes de stappenplannen nog eens inpeperen.
“Als iemand iets doet wat je niet wilt, of aan zo’n plek komt, zoals daarjuist aan je piemel, dan mag je altijd stop zeggen. En als die niet stopt?”
Ja! Ik stel voor één keer écht zelf de vraag.
“Naar mama gaan,” zegt de oudste.
“Of papa, of de juf of meester, of oma.”
“En als het oma zelf is?” vraag ik. Sorry moeder.
“Dan moet je het ook aan iemand zeggen.”
“Of 1712 bellen,” zeg ik nog. En waarom wordt dat nummer eigenlijk niet, naar analogie met de zelfdodingslijn 1813, genoemd na elk nieuwsbericht over seksueel misbruik? Is dat nu eigenlijk niet iets waar wij als verenigde ouders eens over op de tafel willen slaan? Om eens vierkant te gaan staan achter de verplichte vernoeming van dat nummer. Zodat mijn kind, jouw kind en elke volwassene het ként en minder kans loopt om met een verhaal te blijven zitten. Of met een partner met een verborgen verhaal. Of een vader. Ik zeg maar wat.
Ik lees trouwens dat ook daders van seksueel of ander geweld mogen bellen naar 1712. Ja! Ik word bang van het idee dat mensen die seksuele gevoelens hebben in verband met, onder andere, mijn kinderen, daarmee alleen blijven zitten. En ook wie een ander seksueel misbruikt, zie ik liever niet geïsoleerd. Liever hoor ik hen praten met een vrijwilliger, om te beginnen.
Daarom liefste verenigde pers: laat ons dat nummer vanaf nu vermelden na elk artikel of nieuwsbericht over seksueel misbruik. De Bond geeft alvast het goede voorbeeld.
Hebt u vragen over geweld of seksueel misbruik of wil je anoniem je verhaal kwijt? Ben je slachtoffer of dader? Bel 1712 of surf naar 1712.be

Het wonen verbouwd

“Kan je voor de Wakkere Papa iets schrijven over wonen of verbouwen? Dat is ons thema voor deze editie”, klonk de vraag vanuit de redactie. “Wonen? Ja. Dat is wel een thema voor mij.” Mijn twee lieve kinderen groeien op in een birdnesting systeem. Zo schijnt het te heten. Ze bleven na de scheiding van hun ouders simpelweg wonen in het huis waar ze geboren werden. Van zondag tot woensdag woont mama bij hen. Van woensdag tot zondag papa. Papa, dat ben ik. Ik woon dus op twee plekken. Deeltijds bij mijn eigen kinderen, deeltijds bij mijn vriendin en haar kinderen. Ik verhuis twee keer per week, zoals dat voor veel kinderen van gescheiden ouders het geval is. Ik kan je vertellen hoe dat gaat. Ik sleep niets mee. Dat weiger ik. Ik investeer er fors in. In extra kleren, handdoeken, schriftjes, laptops, telefoonladers… Toch staat er altijd een tas klaar met spullen voor mijn andere thuis. Een cadeautje voor mijn zoon, of mijn vriendin, of háár zoon. Een gekregen pak koeken die mijn jongens niet lusten. Een schattig jong uit het nest van het konijn van mijn bonusdochter, bestemd voor mijn jongens. Een zak drollen van het paard van mijn vriendin voor onder de appelboom bij mijn andere thuis. Geoogste appels van die boom de tegenovergestelde richting uit. Je kan je niet voorstellen wat ik met trein en plooifiets vervoer.

Het is zwaar. Altijd die switch in je hoofd maken. Andere gewoontes. Nu eens in het midden van de stad, dan weer in het bos, ver weg van alles. Wel of niet luidop boeren. Spullen laten rondslingeren of niet. Ik noem maar wat.

Je moet altijd alert zijn. Voor je het weet, rijd je op auto­matische piloot naar je verkeerde thuis. “Hé, had ik het licht nu aangelaten?” En dan verschijnt je ex-vrouw voor het raam en sta je daar als een voyeur.

Ook met bibliotheekboeken die dringend ingeleverd moeten worden, is het oppassen geblazen. Of met spullen die je absoluut hier of daar nodig hebt. Met eten dat blijft staan en kan bederven: zonde! Dit half afgewerkte stukje voor de Wakkere Papa moet ik dadelijk nog even op een stick of in een mail plakken. Anders kan ik straks weer opnieuw beginnen als ik thuis kom op die andere plek.

Er is ook een frisse kant aan dit wonen. Zelden slaat de sleur toe. Het constante verhuizen werkt verfrissend. Ik heb weinig of geen behoefte meer aan reizen. Dat scheelt financieel! En ik heb twee levens: eentje in de stad, eentje in het bos. Eentje met luide boeren, eentje zonder.

En wat dat verbouwen betreft. Vroeger was het een constant item tussen mijn ex-vrouw en mij. “Misschien kunnen we die muur eens verven.” “Vind jij die kast in de woonkamer nog passen?” “Ik denk toch nog altijd aan die bijbouw achter de keuken. Zouden we dat toch niet overwegen?”

Tegenwoordig is verbouwen een absoluut non-thema in mijn leven. Over veranderingen in het huis van mijn vriendin beslis ik niet. Ik voer alleen maar uit, soms. En veranderingen aan het gemeenschappelijke huis met mijn ex-vrouw. Wel… daar moeten we het over ééns zijn. Dus geen van ons begint erover, laat staan eráán. En weet je: dat is helemaal oké. Alles is prima zoals het is. Het is vermoeiend, maar ook verfrissend. Neem nu dit stukje: het werd op twee plekken geschreven. Kan jij zeggen achter welk woord of punt ik mijn spullen pakte? Wel… ik ook niet meer.