Leren in een glazen bokaaltje

Een nieuwsbrief van de school onder mijn neus.
“Kijk papa! Thema boerderij!”
Ik lees. “Wie heeft boekjes, voorwerpen… of wil iets komen vertellen over de boerderij?” Wij hebben een moestuin, twee konijnen, vijf kippen. ’s Nachts een egel, vleermuis én muizen. En de buurman heeft een geitje. Doodnormaal in een dorp, maar iets minder voorkomend in de stad waar wij wonen. Laat staan in dezelfde straat als de school.
Dus nodigen we de juf en de klas uit voor een bezoekje. We kunnen wat werktuigen tonen, diertjes aaien, groentjes oogsten, een brood bakken (in de broodmachine)… Misschien krijg ik ze zelfs zover om het kippenhok uit te mesten! Maar helaas…
“Oei… dat wordt moeilijk. Wij mogen de school niet meer verlaten zonder extra begeleiding. En die moeten we minstens een week vooraf aanvragen”, zegt de juf.
“Oh… maar wij wonen daar”, wijs ik. Je kan de kippen horen kakelen tot op de speelplaats, als de wind goed zit.
“Weet je…”, de juf gaat een beetje zachter praten. “Enkele jaren geleden was het vierde leerjaar op weg naar de bibliotheek. Ook maar twee straten wandelen. Een meisje raakte van de stoep af. Een fietser botste op haar en ze brak haar been. Mama boos. Rechtzaak. Dat was moeilijk voor de directrice. Veel gedoe. Veel zorgen. Veel geld. Sindsdien is hier veel veranderd. We willen nu écht wel in orde zijn met alles.”
En dus leert de klas van onze oudste een week over de boerderij uit boekjes en vanop het internet. Zonder een geit te hebben geroken, of een konijn te hebben gestreeld. Zonder onze radijsjes te hebben geproefd. En zonder ons kippenhok uitgemest te hebben. Jammer maar helaas, zou ik normaal zeggen, en overgaan naar de orde van de dag.
Maar het stoort me. Want de school wil niet zozeer een volgende ongeluk vermijden. Ze willen ervoor zorgen dat ze bij een volgend ongeluk juridisch nergens op te pakken zijn. Het gevolg in de praktijk is: minder uitstapjes. Minder contact met de echte wereld. Leren in een glazen bokaaltje.
En dat wil ik niet voor mijn kinderen. Ik fantaseer over heldhaftige acties om de school en haar leerkrachten te sensibiliseren. Misschien kan ik mijn kippen op de speelplaats loslaten, of de inhoud van hun hok. Of ik ontvoer de klas naar ons huis voor het thema boerderij.
Maar misschien kan ik beter beginnen met mijn collega-ouders. Het voorlopig beste plan: een knokploeg, die onmiddellijk opgetrommeld kan worden om de eerste ouder met juridische plannen tegen de school, vriendelijk maar kordaat te wijzen op nadelen en gevolgen. Niet in de eerste plaats om de school te beschermen. En ook niet om ons te bemoeien met andermans zaken. Maar om ons kroost te vrijwaren van een nog sterielere glazen bokaal als leeromgeving. Kandidaat knokkers?

De Wakkere Papa

Jong geleerd, oud geworden

“Ik heb een contractje!” zegt mijn vijfjarige zoon.
“Oh… was is dat?” vraag ik.
“Een contractje is als je iets af moet hebben op het einde van de week.”
“Oh…”
“En dan krijg je een stempel!”
“Aha!”
We praten verder over het contractje. Het gaat om een aantal activiteiten die tot het leven van een kleuter behoren. Een puzzel, een schilderwerk, een letter nabootsen, tekeningen met kleuren verbinden… The usual suspects, dus. Ook vroeger waren er activiteiten die ieder kind in de klas moest doen. Nu heeft dat een naam: ‘een contractje’. En de kleuters kiezen zelf wanneer ze hun contract uitvoeren. Als ze maar klaar zijn tegen het einde van de week.
“Maar ik ben al klaar na de eerste dag!” zegt mijn zoon trots.
“Oh…”
“Ja! Ik ben als eerste klaar! Dat is beter! Eerst de dingen die moeten. Dan kan je daarna doen wat je wil!”
Ik zwijg. Mijn gedachten dwalen af naar mijn nonkel Mark. Altijd hard gewerkt. Altijd eerst de dingen die moesten. Hij bouwde een buiten­verblijf met zwembad, en telde af tot de dag van zijn pensioen. Luttele weken voor die dag begaf zijn hart het. Alles wat hij in zijn leven moest doen, had hij afgehandeld. Doen wat hij zelf graag wilde, zal voor een ander leven zijn.
Mijn kleuterzoon is de hele week in zijn nopjes met zijn nieuwe status van contractjesarbeider. Ik vind het ook prima. Maar contract is contract. Dus als het tegen het einde van de week af moet, waarom moeten kinderen die alles snel-snel op dag 1 afwerken dan extra geprezen worden? Ik besluit er niet verder over te piekeren. Ik accepteer voorlopig dat mijn zoon een strever is.
“Papa…”, zegt mijn zoon, een week later. “Vandaag mochten we niet aan ons contractje werken van de juf!”
“Aha!” zeg ik
“Het was veel te lekker weer! Wij hebben de hele tijd buiten gespeeld. En morgen gaat het regenen! Dan hebben we toch nog tijd genoeg voor ons contractje!”
“Ahaaaaa!” zeg ik.
Soms zou ik de juf willen zoenen!

De Wakkere Papa

Lachen als harnas

“Papa! Kom gauw!”
Mijn oudste zoon. Als het van hem afhangt, moet ik altijd gauw komen. Maar het water kookt nu, en ik wil er eerst de rijst in.
“Er is een bal op straat gevlogen.”
“Ok … ik kom over een minuutje. Niet zelf gaan halen hoor.”
“Maar papa …”
“Ja?!”
“Die bal vloog tegen een mevrouw. En die ligt op de grond.”
Ik draai mijn vuur uit en vlieg naar buiten. De mevrouw herken ik meteen. Ze heeft een evenwichtsstoornis en rijdt normaalgezien met een grote driewieler. Vandaag niet dus, helaas voor haar.
“Gaat het mevrouw?”
“Mijn heup … mijn nieuwe heup”, klaagt ze.
“Jongens … waar zijn jullie?”, roep ik. De grote ongevallen gebeuren op dit soort momenten, wanneer het kleine ongeval iedereen afleidt. Maar mijn zoon en zijn vriendje zijn nergens te bespeuren.
“Dit soort dingen gebeurt trouwens alleen maar als dat vriendje er is”, bedenk ik nog, terwijl ik de vrouw weer veilig op de been krijg met de hulp van een voorbijganger. Ik stel haar gerust. We hebben een familiale verzekering en ik verklaar schriftelijk dat ze gevallen is door een bal uit mijn tuin. De vrouw vervolgt haar weg, mankend naast de fiets. Terwijl ik haar nog wat bezorgd nakijk, hoor ik de schommel piepen.
“Dag jongens”, zeg ik.
“Hallo … is er iets gebeurd?”, grijnst het vriendje. Ook mijn eigen zoon zit heimelijk te lachen.
Wat krijgen we nu?! Ik word gegrepen door een wilde razernij. Ik stop de schommel en wil luid beginnen roepen. Dan aarzel ik. Ik herinner me iets. Een vriend vertelde me pas dat hij in ongemakkelijke situaties altijd begint te lachen. En dat dit de situatie zelden gemakkelijker maakt.
“Zijn jullie bang dat ik heel boos zal zijn. Over die bal”, zeg ik rustig.
De twee grijnzen verstarren. Raak!
“Maar wij speelden gewoon. Die bal vloog over het hek en toen schrok die mevrouw. Ze viel zélf van haar fiets.”
“Ok … het is heel goed dat jullie mij komen halen zijn.”
Stilte.
“Zijn jullie je daarna hier komen verstoppen, omdat jullie niet wisten wat jullie moesten doen?”
Geen antwoord.
“Als er nog eens zoiets gebeurt, mogen jullie niet weg lopen. Misschien had ik jullie nodig. Om te helpen, de telefoon te halen of …”
Ze halen hun schouders op. Maar ik zie tranen blinken in de ogen van het vriendje.
“Alles lijkt in orde met de mevrouw. Ze is vooral geschrokken”, zeg ik.
“Het was niet onze schuld hoor”, zegt mijn zoon.
“Nee, dat zei de mevrouw ook.”
We lopen naar de keuken. Ik leg hen rustig maar kordaat uit dat ik denk dat ze lachten uit zenuwachtigheid. Omdat ze bang waren de schuld te krijgen. Lachen als een soort harnas van onkwetsbaarheid, eigenlijk.
“Probeer in het vervolg iets anders te doen dan lachen. Bijna dacht ik dat jullie het grappig vonden dat die mevrouw is gevallen. En dan was het minder goed met jullie afgelopen!”, grom ik.
Dan zet ik mijn fornuis weer aan.

De Wakkere Papa

Deeltijdse roeping

We proberen te scheiden. Dat wil zeggen: we verdelen wat we samen hadden, over de twee niet verbonden personen aan de tafel. Zij krijgt de laptop, ik het bed. Er is geen enkele discussie. We zijn geen van beiden erg gehecht aan spullen. Wil jij het servies? Ik wil die plant wel. Een onverwacht voordeel van onze in kringwinkels en op rommelmarkten bijeengezochte inboedel: bedragen zijn verwaarloosbaar. Dus kijken we alleen naar het emotionele. En we zijn mild voor elkaar. Neem jij dat maar. Jij hebt er meer aan dan ik.
Het huis hoeven we niet te verdelen. De kinderen blijven er wonen. En wij verhuizen twee keer per week. Over het gezamenlijk besturen van huishouden met mijn ex-vrouw vertel ik u liever… een andere keer. Maar voor de verdeling was het huis dus geen probleem!
En de kinderen? Jij de jongste, ik de oudste? Waarom eigenlijk niet? Nee dus. “Het meest logische is elk een week, zo is het normaal,” zegt zij. “Normaal,” zeg ik, “was tot een tijd geleden dat de kinderen sowieso bij de moeder bleven.” “Ook goed,” zegt zij.
Maar dat is een leugen. Want zo wil zij het helemaal niet. En net daarom is het in ons huwelijk nooit zo geweest. Ik nam het grootste deel van de zorg voor de kinderen op mij. Zij stortte een hoger maandelijks bedrag op onze rekening. Omdat ik het belangrijk, aangenaam en boeiend vond om voor onze kinderen te zorgen. Omdat zij het belangrijk, uitdagend en voedend vond om buitenshuis te werken.
Op dit moment woont telkens een van ons een halve week bij de kinderen. Papa van zondagochtend tot woensdagmiddag. Mama van woensdagmiddag tot zondagochtend. Zo staat het in het ontwerp voor ons scheidingscontract. Ik wil alles uit mijn vaderschap halen tijdens die dagen. Daar houd ik rekening mee bij de keuze van mijn werk. Maandag en dinsdag werk ik van thuis uit. Voor een onzeker en allerminst riant inkomen. Maar dat weegt absoluut niet op. Voor de andere dagen probeer ik opdrachten te vinden waarvoor ik niet beschikbaar moet zijn op maandag of dinsdag. De mama past haar werkschema, laat staan haar jobkeuze, veel minder aan de situatie aan. Natuurlijk niet… Zij heeft geen behoefte aan zoveel contactmomenten met haar kinderen. Nooit gehad. Voor mij is een halve week veel te weinig, voor haar eigenlijk te veel.
De oplossing lijkt eenvoudig. Net als bij de inboedel: “Jij hebt er meer aan, ik hoef het niet per se.” Dus verdelen we het zoals het altijd was. Papa meer tijd bij de kinderen dan mama, op een of andere manier. Maar zo gebeurt het dus niet. Mama lost het zélf wel op. Grootouders, vrienden, babysits en naschoolse opvang zien mijn kinderen nu een heel stuk vaker dan vroeger. Papa veel minder, en mama ongeveer even vaak. Voor mij voelt het onrechtvaardig, maar wie ben ik vandaag nog…
Dus weet ik niet wat ik moet doen. Naar de rechter met onze scheiding voor dit ene, fundamentele punt? Ik heb minder geld voor een advocaat, dus loop ik het risico te verliezen. Niet alleen geld, maar ook mijn kinderen. Je weet nooit waar je eindigt, eens je begint. Daar ken ik persoonlijk genoeg voorbeelden van. Dus zwijg ik en slik ik, en slik om het onrecht. Ik voel me als een ten onrechte van dopinggebruik beschuldigde en geschorste atleet. Het vaderschap is wat ik wil en kan, wat me boeit. Het is mijn topsport! Maar ik sta dus deeltijds aan de kant.

De Wakkere Papa

En… wissel van rol!

Wie ooit als deelnemer of toeschouwer op een veldrit aanwezig was, weet het. De modder is er een stuk vadsiger dan op televisie. De bergjes zijn hoger en de afdalingen steiler. En bovenal: de rondes zijn een stuk langer in het echt … zeker als ze worden gereden door een zes- en een driejarige op een stads- en een loopfiets.
Het was niet mijn idee, dat wil ik er nog aan toevoegen. Ik reed er geheel toevallig langs, zonder dat we ergens dringend moesten zijn. De regenpakken en laarzen voor het geval dat, beroofden me van mijn laatste excuus om het niet te doen.
“Papa! Daar is een koers!”
“Dat is Sven Nys!”
“Ik wil ook!”
De grote veldrit was een dag tevoren en de échte Sven Nys zit alweer ergens in Spanje. Dus sta ik vijf minuten later met mijn zonen op het parcours. We rijden in de weg voor amateurfietsers die in één trek door de zandstrook of zonder afstappen de helling op willen knallen. Het gaat … slakke traag. Maar mijn zonen vinden het fantastisch! Tot de jongste schrikt van een collega-fietser aan iets hogere snelheid.
“Straks komt die koerser nog eens papa,” grient hij.
Een ideale aanleiding voor mij om deze modderpoel te verlaten. Maar iets houdt me tegen: de strakke focus in de ogen van mijn oudste zoon. Op alle andere dagen is hij degene die bang is, niet durft, langer bij papa blijft hangen. Terwijl kleine broer roekeloos de wereld bestormt.
“Kom maar bij mij, vriend. Je grote broer wil nog een beetje rijden”, zeg ik dus.
Natuurlijk komt hij niet bij me. Hij volgt zijn grote broer, maar staat bij elke bocht huilend stil. Ik ben in de buurt, en heb alle tijd om uit te kijken voor écht gevaar. Uiteraard, of hoe snel dacht je dat we vorderden over het parcours …?
“Ja! Vlieg jij er nu maar eens overmoedig, roekeloos en zonder nadenken in,” denk ik, terwijl ik mijn ogen dichtknijp als de oudste weer eens een steile wand af raast. Hij valt voor de zoveelste keer en ploft languit in de modder. Maar dat deert hem niet. Vandaag niet.
De jongste wil intussen geen seconde langer blijven.
“Nog heel even …” zeg ik. “Kijk eens hoe je broer fietst.”
Kiezen moet ik hoe dan ook. Ik kan ze niet allebei hun zin geven. Dus laat ik de jongste, veilig en dicht bij me, kennis maken met angst, en de oudste genieten van een moment zonder enige schrik. Ik vind het héél gezond dat de broederlijke rollen eens helemaal omgewisseld worden.
Oef … we komen bij de aankomst, zonder brokken of schrammen. Druipend van de modder vervolgen we onze weg over asfalt. Benieuwd of we zo binnen mogen in het zwembad :)

De Wakkere Papa


Maak je het ook wel eens mee dat je kinderen je verrassen met kantjes die je van hen niet verwachtte?

Verloren dochter

“Mama …”
Het woord hangt uren in de lucht. De tijd staat stil, mijn adem en mijn hart ook. Ik ben terug kind. Mijn zus roept “mama”. Honderdduizend keer. En nu dus weer. Ik schrik van de stilte. Er komt geen antwoord. De deur sluit tergend langzaam. We horen niets meer. Ik zit naast mijn grootvader in zijn nieuwe rusthuiskamer.
“Ik hoop dat ze overeenkomen”, zegt hij.
“Ja,” zeg ik, “misschien…”
Misschien kunnen we een familie zijn. Misschien kunnen we samen feest vieren, spelletjes spelen en cadeautjes verdelen. Ik wist helemaal niet dat ik daarnaar verlangde, maar ik voel het wel. Hier, in dit plotse moment waar het toeval alles mogelijk lijkt te maken.
Ik kwam op bezoek bij mijn grootvader. Zonder mijn jongens deze keer. Ik kom niet zo vaak. Het is nogal ver weg. Dat geldt ook voor mijn zus. Dus was de verrassing groot én aangenaam toen vijf minuten na mij, mijn zus met haar twee kinderen de kamer binnenkwam. Omhelzingen en warmte. Verbazing over zoveel toeval. En toen kwam mijn moeder. Een bokkesprong van het lot. Daar stonden we. Ons gezin zoals het ooit was. Compleet, herenigd, na twintig jaar zonder contact tussen moeder en dochter.
Mijn zus negeerde mijn moeder. Mijn moeder negeerde haar dochter en die twee kleine, onbekende wezentjes: haar kleinkinderen. Mijn grootvader en ik negeerden het negeren. Er was een gesprek. En de aanwezigheid van een kruipende baby en een babbelende kleuter blies een warme wind door elk ijzig moment van stilte.
Toen vertrok mijn moeder. Mijn zus ging achter haar aan.
“Mama…”, riep ze. Het moet een impuls geweest zijn. Toch nog “mama”. De deur sloot tergend langzaam. De kinderen speelden. En wij wachtten. Mijn grootvader en ik. Wat konden we anders doen? Ik geloof niet dat het goed gegaan is. Maar misschien was dat ook te hoog gegrepen, daar op die gang, op die dag die het toeval uitgekozen had.
Het zet me wel aan het denken. Ik moet mijn verlangen naar feest en familie, naar verbinding en warmte, ergens anders zoeken. Minstens voor­lopig. Wellicht voorgoed. En ook: ik schat het vaderschap heel hoog in. En naar het grootvaderschap kijk ik nu al uit. Ik zie het als een kroonjuweel van de schat van mijn leven. Ik beloof mezelf plechtig: geen eer of vete, geen enkel geschil zal mij ertoe brengen het bestaan van mijn kinderen of kleinkinderen te negeren. Het is me simpelweg te veel waard. Dus alsjeblieft, iedereen: herinner me hieraan, mocht het ooit nodig zijn.

De Wakkere Papa

Topoverleg

“Papa, mag ik na het eten nog snel even gaan spelen bij Lars?”
“Van mama mag je niet meer, zo vlak voor het slapen gaan,” zeg ik. Het is een halve vraag. Maar hij zwijgt. Tactisch. Ik hoor zijn kleuterhersenen kraken.
“Zij zegt dat je dan niet in slaap raakt. Dat je dan te veel over je toeren bent.”
Geen antwoord.
“Wat vind jij daarvan?” zet ik hem onder druk.
“Van wat?”
Hij draait handig rond de hete brij. Hij weet dat ik, met drie kookpotten op het vuur en de tafel nog maar half gedekt, niet zoveel ruimte heb om na te denken. En vooral: niet zoveel tijd. Dus vertraagt hij het gesprek. Voor hem dringt niets, zolang hij geen startsignaal krijgt om over de stoep naar zijn vriendje te sprinten.
Jij raakt vaak niet in slaap, hé. En dat vind je zelf heel vervelend.
“Ja, want dan ben ik bang! Maar papa… Lars is enkel thuis na etenstijd. Dus als ik dan niet met hem mag spelen, dan kan ik hem nooit nog zien.”
Een beetje dramatisch gebracht, maar hij heeft wel een punt. Ik denk even na, terwijl ik met één hand in de rijst roer, en met een andere hand zout over de boontjes strooi. Heel strategisch trouwens, dat hij toegeeft dat hij niet in slaap raakt. Anders nam ik hem nu al niet meer serieus.
En trouwens: binnenkort is het vroeg donker. En dan kan het helemáál niet meer, voegt hij er snel aan toe. Hij ruikt mijn twijfel en de overwinning.
“Dus dat je niet meer bij vriendjes mag gaan spelen vlak voor bedtijd, vind je geen goede oplossing?”
“Niet echt…” zegt hij met een nauwelijks verborgen glunder. En dan zie ik plots een bliksemschicht in zijn ogen.
Jij moet héél streng zijn, papa, zegt hij. Ik zet mijn vuur af, brandend van nieuwsgierigheid over wat er nu gaat komen.
“Je komt me halen bij Lars en je doet meteen heel boos. Ik mag niet meer rennen, spelen of roepen. En als ik dat wel doe, dan krijg ik geen verhaal.”
“Maar ik lees je net een verhaal voor opdat je rustig kan worden,” pruttel ik nog tegen. Maar door mijn reactie wordt hij nog geestdriftiger. Zijn ogen blinken, want ik ga mee in zijn plan. Ik heb niet gezegd: “Nee, en daarmee basta.” Ik zei: “Ja, maar.” En dat verschil voelt hij haarfijn aan.
Maar ik ga wél mijn verhaal krijgen, hoor. Ik ga keihard luisteren, want jij zal héél streng zijn. En Lars is toch écht alleen ’s avonds thuis…
Mijn zoon is een genie… Als een geslepen toponder­handelaar herhaalt hij nog eens hét argument dat me in eerste instantie aan het twijfelen bracht.
Ik zet mijn vuur weer aan. “Oké. We proberen het,” zeg ik.
Ik weet niet of zijn idee zo geweldig is, maar gun de onderhandelaar in hem deze overwinning. Hij heeft talent voor het debat. En in elk geval zie ik hem als hij zijn zin niet krijgt, liever op zoek gaan naar dat ene overtuigende argument, dan stampend over de vloer te rollen of zijn broer te gaan slaan. Dus stimuleren we het gewenste gedrag, zoals de boekjes voorschrijven. Ik ben nu al nieuwsgierig naar de argumenten waarmee hij binnen enkele jaren zijn eis voor een minibar op zijn eigen kamer zal onderbouwen.

De Wakkere Papa