Een ex om gek van te worden

1 september. Het schooljaar begint. Mijn jongens zijn bij hun mama. Maar ik ga mee om hen naar school te brengen. En daarna gaan mama en papa even samen zitten voor overleg. Er moet altijd veel besproken worden begin september. Nieuwe hobby’s, nieuwe
gewoonten, plannen voor het huis, problemen met het huis, frustraties en verlangens rond het huishouden.
Zoals dat in onze echtscheidingsovereenkomst is vastgelegd, wonen mijn ex-vrouw en ik nog om de beurt in het huis waar onze kinderen voltijds verblijven. En dan moet je overleggen, natuurlijk.
“Voor we beginnen, wil ik misschien al meteen iets zeggen”, zegt mijn ex-vrouw.
Ik hou mijn hart vast. Is ze ernstig ziek? Of zwanger? Niet van mij in elk geval.
“Ik ga hier vanaf nu niet meer wonen. Het gaat niet meer voor mij. Ik kan dat niet, al dat verhuizen.”
Ik sta op, ga terug zitten. Sta weer op. Ik ben razend. “Dat gaat zo niet gaan,” grom ik.
Beste lezer. Misschien denkt u nu. ‘Wat onredelijk van de wakkere papa. Heel begrijpelijk van die mama. Zo’n systeem is ook niet vol te houden.’ Maar heel eerlijk: dat zij het niet volhoudt, dat maakt mijn zaak niet.
De scheiding kwam er omdat zij iets anders wilde. We maakten afspraken om het voor de kinderen zo goed mogelijk te regelen en nu veegt ze weer alles van tafel.
Ik ervaar het in verschillende situaties en al veel langer dan vandaag. Het was al zo voor we uit elkaar gingen. Mijn ex-vrouw behoudt zich het recht voor om telkens opnieuw eenzijdig de afspraken tussen ons te verscheuren.
Deze keer wil ik dat écht niet. Want dit gaat over de kinderen. We hebben dit systeem opgezet opdat zij niet vanaf jonge leeftijd elke week zouden moeten verhuizen. Dat vonden we beiden heel belangrijk. Maar dat mag dus nu in de vuilnisbak, omdat het niet meer gaat voor haar.
“Het punt is dat het nooit gaat voor jou,” zeg ik hard, maar naar waarheid. “En altijd moeten anderen daar het slachtoffer van worden. Om dan naderhand vast te stellen dat het nog altijd niet gaat. Wat is het volgende? Verhuizen naar Spanje?”
Zij zwijgt en kijkt stuurs voor zich uit.
“Ik neem ze gewoon mee naar mijn huisje.”
Potver! Ze heeft waarschijnlijk nog gelijk ook. Want hoe kan ik haar dit verhinderen? Helemaal niet. Dat is de waarheid. Gewoon helemaal niet. Geen rechter zal haar dwingen om in dit huis te blijven wonen. Geen deurwaarder zal komen controleren of mijn kinderen hier wel degelijk elke nacht slapen. En wat is dat: elke nacht?
Ik haat dit. Elke keer weer haalt mijn ex-vrouw alles onderuit. En nooit betaalt zij daar zelf de rekening voor. Maar wacht eens…
“Maar de facturen hier ga je wel blijven betalen,” zeg ik rustig. Heel gemeen. Zij mag mee blijven betalen voor mijn gas, water, stroom en verzekering. “En de kleren en het speelgoed. Dat blijft ook hier, allemaal zoals afgesproken.”
Ik aarzel. Die harde toon, dat dreigen, en dan genieten van het verlies en het ongemak van de ander. Ik weet waar dat naartoe leidt. Tot toch nog een vechtscheiding. Met alléén maar slachtoffers. Dat is het allerallerlaatste wat ik wil.
Ik zucht en geef het op. Nu al…
“Hoe zag jij dat dan eigenlijk… praktisch?” vraag ik.

De Wakkere Papa

Advertenties

Een echt­scheidings­feest?

In de postbus van het huis waar mijn ex-vrouw en ik beurtelings wonen, en onze kinderen voltijds, komt wel eens een kaartje op een verkeerde dag aan. Dat wil zeggen dat er wel eens een kaartje voor haar komt, op de dagen dat ik er ben. Dan staan daar drie namen. Van haar en onze twee zoontjes. Mijn naam niet. Meestal vind ik het niet erg. Vandaag wel. Want het kaartje is van iemand die ik liever nog wel zou kennen. Iemand die ik, ergens in die lang gerokken scheiding, ben kwijtgespeeld. Want net zoals bij het geld, het servies en de auto, krijgt ieder een deel van de gemeenschappelijke vrienden.
Nu… er zijn genoeg mensen op de wereld. Zoveel fijne mensen. Maar toch. Als ik die drie namen zie staan en ik sta er niet bij. Dan… dan doet me dat toch iets.
“Komaan, sukkel… je weet toch dat ik hier ook woon. Dat ik dit kaartje kan vinden,” mompel ik onbestemd tegen de afzender.
En ik denk aan vorige week. Toen kwamen mijn kinderen bij de wissel net vol enthousiasme terug van een oude schoolvriendin van mijn ex. Ik had nooit een speciale band met die vrouw, of haar gezin. Soms kwamen ze op bezoek, of gingen wij naar hen. Maar als ik er niet bij kon zijn, vond ik dat écht niet erg. En toch wringt dat nu. Ik weet het niet. Die mensen hebben hier gezeten, in de zetel. Ze zagen de kinderen geboren worden, ik die van hen. En dan plots, van de ene dag op de andere , zie je ze nooit meer weer. Daar is geen moment voor “vaarwel” of “het beste”. Is dat niet raar?
Nog een paar dagen vroeger kreeg mijn huidige vriendin een kaartje van een kennis. “Die geven een echtscheidingsfeest”, zei ze. Haar gezicht zag eruit alsof ze net een drol uit de enveloppe had
gehaald. Maar is dit dan eigenlijk niet net mooi? Als je dat kan, als koppel. Als dat een optie is. Nog een keer dag zeggen. Je spreekt het niet uit. Maar je weet dat je die en die nooit meer zal zien. En als dan toch iedereen daar is, dan ga je bij die gelegenheid, op die plek, tussen die mensen, onmiddellijk een nieuwe verbintenis aan, als scheidende ouders. Wij zweren dat we in goede en kwade dagen, in respect voor elkaar, zorg zullen dragen voor de kinderen die we samen hebben.
“Ja,” mijmer ik, het kaartje nog in mijn handen. “Dat zou een stuk geschikter zijn geweest.”
“Papa!” roept mijn oudste, achter mijn rug, “je bent nog iets vergeten in de brievenbus!”
En daar komt hij, met hoog in zijn hand… hetzelfde kaartje. Alleen een andere tint. Ook de afzender is identiek. De woorden een lichte variant. En de drie namen, daar sta ik tussen.
“Oh…” zeg ik. “Sorry, kerel.”
“Waarom sorry, papa?”
Wel… sorry, kerel, dat ik je een sukkel noemde. Want inderdaad: er zijn heel veel fijne mensen op de wereld. Die voelen wat gevoelig zou kunnen zijn en zorgzaam handelen. Bedankt, maat. Ik mail je nog!

De Wakkere Papa

Vechtscheidingen: kan niemand dan ingrijpen?

Zeven jaar geleden moest voor een vriendin van me, die dag een van de mooiste van haar leven worden. Haar tweede kind werd geboren. Een dochter. Op de dag na de geboorte zat de trotse moeder nog half groggy, maar dol van geluk, op het kraambed te suffen. Er waren al een paar bezoekers geweest. Toen kwam er een man binnen die ze niet kende. Ernstig gezicht, keurig pak. Uit zijn aktentas haalde hij een bundel documenten. Haar man vroeg, totaal onverwacht, de scheiding aan, daar in het ziekenhuis, op de eerste dag van het leven van hun tweede dochter.
De moeder protesteerde, met haar dochtertje op de arm. De ambtenaar zei alleen: “Meneer heeft ook rechten.”
De dochter is nu zeven jaar. Zij en haar broer verblijven telkens een week bij papa, een week bij mama. Dat besliste een rechter. Want er is nog steeds geen akkoord. Elke keer zorgt papa voor vertraging met procedures en bezwaren. Hij houdt zich aan geen enkele afspraak, noch met rechters, noch met bijzondere jeugdzorg, noch met mama, noch met de kinderen. Hij weigert zijn kinderen naar hobby’s of verjaardagsfeestjes te brengen. Meermaals zegt hij afspraken voor belangrijke medische ingrepen voor zijn kinderen af, onder protest en onbegrip van niet één, maar een heel team van medische specialisten.
Hij gedraagt zich dus als ouder totaal onverantwoord. En toch …. Voelt u de woede borrelen in mijn pen? En toch haalt het gerecht, op vraag van die papa, de kinderen drie weken weg van mama. Papa zei ongerust te zijn over de veiligheid van de kinderen. Daar was geen enkele grond voor, concludeerden de bevoegde instanties na drie helse weken voor moeder en kinderen.
Zo’n kerel die aan alles zijn voeten veegt en zijn ex-vrouw pest met leugens voor het gerecht. Die de scheiding aanvroeg op het kraambed, omdat hij een ander had. Een man die procedure na procedure aanspant, maar er intussen niet in slaagt om fundamentele vaderlijke taken op te nemen in de weken dat hij de kinderen heeft. Moeten we die zomaar ongehinderd zijn gang laten gaan?
En dit is nog maar een piepkleine weergave van zeven helse jaren voor deze moeder, haar kinderen, de hele omgeving en wellicht ook de vader zelf.

Ik ken nog vier andere gescheiden koppels in gelijkaardige situaties. Vier! In mijn beperkte omgeving. Niet allemaal zo pijnlijk schrijnend als deze, maar wél minstens even langdurig. Moeten we dat normaal vinden? Dat weiger ik. De vriendin in kwestie schreef intussen al twee brieven naar het ministerie van Welzijn, over het aanslepen van deze slopende, onrechtvaardige, onnodige én peperdure rechtsgang. Er kwam geen antwoord.
Maar ik ben als papa wél klaarwakker. Hiervoor kruip ik in mijn pen! Want in de situaties waarover ik het heb, lijken de rechten van almaar procederende, vaak onredelijke ouders, altijd voor te gaan op het welzijn van de redelijke partner en de kinderen.
Veel (v)echtscheidingen hebben twee kanten, maar bij niet allemaal moeten we die beide kanten even serieus nemen. Het zijn moeilijke situaties en gemakkelijke oplossingen zijn er ongetwijfeld niet. Maar zo kan het toch echt niet verder? Ik ben alvast van plan om schrijnende voorbeelden te verzamelen en ermee naar juristen te stappen.

Heb jij ook zo’n verhaal? Laat het hier weten of via redactiedebond@gezinsbond.be

 

Een framboos voor de eeuwig­heid

De zon schijnt. Ik ben thuis aan het werk. Mijn jongste zoon zit in de derde kleuterklas. Ik haal hem op om thuis te komen eten. Of nee: ik haal hem op en rijd met hem naar de pluktuin! Het is tenslotte het laatste jaar dat hij een namiddag op school kan skippen. Zomaar… omdat het lekker weer is. Hij is in zijn nopjes als ik het hem vertel.
“Heb je boterhammen mee?”
“Ja!”
“Moet ik die dan in het fietsstoeltje opeten?”
“Ja.”
“Yes!”
Ik ga naar de pluktuin om groenten te oogsten. Daar houdt hij ook van: chinese kool, broccoli, postelein. Een haal met zijn mes en hij dropt ze in ons mandje. Wortelen uit de modder trekken doet hij al even graag, of boontjes plukken. Maar liefst van al propt hij aardbeien en frambozen in zijn mond. De frambozenoogst valt tegen vandaag. We vinden er twee. Ik stap al verder, de sla tegemoet.
“Wacht papa!”
Hij komt naar mij, de dikste framboos rond zijn pink geprikt.
“Die is voor jou.”
“Voor mij?”
Ik hou ontzettend veel van fram­bozen, maar hij ook. Dus liet ik de enige twee voor hem. Nu steekt hij zijn pink uit naar mij. Zijn mondje gaat open. Ik word teruggeslingerd in de tijd. Ik zit in de tuin. Hij in zijn relax, een kleine baby. Ik geef hem pap met de lepel, terwijl zijn peter toekijkt. “Besef je dat jij bij elke hap die hij moet nemen, ook je mond opent?” vraagt de peter.
Ik begreep dat het wellicht een idioot zicht was, maar ik bleef het doen. Ik deed voor wat hij moest doen. Mondje open. Lepel binnen.
En nu, een kleine vijf jaar later, doet hij hetzelfde voor zijn papa. Mondje open, framboosje op zijn pink. Hap maar lekker, papa.
Ik slik. Een traan rolt langs mijn neus. Ik sluit mijn ogen, en open mijn mond voor een heerlijke hap.
Deze pink, deze framboos. Dit snoetje met het mondje open. Het feit dat hij dit overneemt van mij. Het happen in de lucht. Deze zon. Het schenken van de laatste framboos. Het klein zijn. Nog niet schoolplichtig zijn, misschien. Het weggeven van de grootste framboos. De liefde in zijn ogen. De liefde tussen mij en mijn zoon. Het is zo mooi. Ik wil het me blijven, blijven en blijven herinneren, voor eeuwig en altijd.

De Wakkere Papa

Lezen om er niets van te begrijpen

Ik lig op mijn rug met een boek. De zon schijnt op mijn lijf, maar net niet in mijn gezicht. Het liggen, het lezen en de stralen van de zon warmen me op. En de verhalen van Toon Tellegen, over de eekhoorn en de mier. Er is, op dit eigenste moment, geen heerlijker plek op de wereld dan hier. En dat voelt mijn bonusdochter haarfijn aan, want ze komt naast me liggen.
“Wat lees je?”
“Lees maar mee.”
Even lezen we samen. Ik houd het boek heel eerlijk in het midden tussen ons in.
“Pfff … da’s veel te gemakkelijk,” zegt mijn bonusdochter een beetje hooghartig, en ze draait zich weg. “Dat is niet eens AVI 3.”
“Oh… zal ik dan een stukje voorlezen, als het te gemakkelijk is voor jou om zelf te lezen?”
Ik lees een hoofdstuk voor. Over de eekhoorn en de olifant. Zij begrijpt er niets van. We doen er nog eentje. De mier komt er ook bij. Zij begrijpt het niet. En ook het volgende over de zwaan en de sprinkhaan niet.
“Leg ik het dan maar weg?” vraag ik.
“Nee! Lees verder!”
We lezen verder. Ik lees een hoofdstuk voor, en dan zij. We lezen tot de zon ondergaat. En begrijpen er samen niets van. Net zoals de dieren uit het bos van Toon Tellegen begrijpen we niets van het leven. Maar dat hebben we dan tenminste toch begrepen. Dat we er niets van begrijpen. En ook dit. Te gemakkelijke boeken lezen mag, en het is blijkbaar nog leerrijk ook.
“Jij dacht dat boeken alleen maar dienen om te leren lezen, hé?!” zeg ik.
“Misschien…” zegt zij.”
“Maar ze dienen ook om lekker in de zon te liggen in een bos, met een eekhoorn en een mier. En een olifant …”
“… en om er samen geen sikkepit van te begrijpen,” giechelt mijn bonusdochter.

De Wakkere Papa

Nooit meer heel

Ik zit, zoals ik dat wel vaker vind, op de mooiste plek op aarde. Een zacht bed van dennennaalden onder mij. Takkenkruinen omringd door blauwe lucht boven mij. En overal rondom mij rechte dennenstammen, met daartussen glinsterend, lief golvend water.
En het wordt nog mooier. Van over een zandstrandje links van mij komt een meisje aangewandeld. Acht, misschien negen jaar. Zoals mijn oudste zoon. Ik zie, tegen de zon in, alleen haar silhouet. Ze stapt precies op de waterlijn, voetje voor voetje. Achter haar volgen een kleiner meisje en jongetje. Nog verder een man en vrouw. Ze komen dichter, een prachtige karavaan van scherp afgetekende figuren. Ze beklimmen samen, met vereende krachten, de heuvel waarop ik zit.
De man knikt vriendelijk. De vrouw spreidt een deken uit en vult het met heerlijke hapjes. “Oh mama,” zegt het meisje, “dit is zo leuk!” “Het was papa’s idee hoor,” zegt de vrouw.
De papa slaat zijn arm om de schouders van de mama. De kinderen komen erbij in een warme knuffel op deze magische plek. Mijn stemming slaat om. Mijn maag schiet in een kramp. Ik besef met een koude klap dat dit precies is waar ik in het leven nog het meest naar verlang. Zo’n gezinsmoment. Zo’n samenzijn dat elke mooiste plaats op aarde nog duizendmaal blinkender doet stralen. Ik heb daar zo weinig van gehad. Ik was nog geen drie jaar toen mijn ouders uit elkaar gingen. En later was mijn oudste zoon er net drie bij het breukmoment tussen zijn moeder en mij.
Terwijl ik verder kijk naar dit mooie moment waartoe ik niet behoor, besef ik: dit is niet voor mij weggelegd. Deze heelheid, iedereen die er is. Het staat gewoon niet op mijn programma. Nooit meer. Het valt me zwaar. Maar ik neem dit nieuwe begrijpen van mezelf aan, zonder sentiment. En, ik zweer het, precies op dat moment verdwijnt de zon achter de lage wolken.
Ik neem een stuk papier en schrijf alles op. Wat moet ik er anders mee? Tegen de tijd dat dit stukje is geschreven, daar op die heuvel boven het water, is het gezinnetje alweer verdwenen. Ik heb hen niet eens zien vertrekken. Ik sta op, rek me uit en zucht. En dan, op dat uitgelezen moment, floept de zon totaal onverwachts, toch nog eens onder de wolken uit. Het water blinkt. De hele heuvel baadt in goud. Een eend kwaakt vrolijk. Voor mij alleen.

De Wakkere Papa

Vader, moeder zult gij…!

“Papa. Heb je mijn band nu nóg niet opgepompt?”
Mijn vijfjarige zegt het aanvallend, vol onbegrip. Ik reageer niet.
“Papa! Luister naar mij!” roept hij.
Ik kijk récht voor me uit.
“Papaaaaaaa!”
Ik wacht tot hij kalmeert.
“Papa, waarom hoor je mij niet?”
“Wát?” zeg ik, gespeeld maar overtuigend boos. “Was jij daarnet zo tegen míj aan het roepen?”
“Ja!”
“Oh! Leer dat dan maar gauw af! Want zo spreek je niet tegen je papa, of je mama. En wees ook maar beleefd tegen andere volwassenen. En knoop maar in je oren dat ik nooit, nooit zal reageren als je zo tegen me praat.”
Het klinkt heel dictatoriaal. Maar ik meen het, hoor. Dit is geen grap.
Ja: vader, moeder zult gij eren. En dat verdien ik ook. Ik had zijn band niet opgepompt, maar ik heb wel zijn lievelingssoep gekookt en haal hem ’s middags lekker op aan school. Dan wil ik niet afgesnauwd worden. Mondigheid is prima, maar als kinderen dan toch mondig zijn, dan mogen ze meteen leren om wát ze te zeggen hebben, op de juiste manier te zeggen.
Ik ben er extra gevoelig voor sinds ik regelmatig tandenknarsend meemaak hoe onrespectvol mijn bonuskinderen soms spreken tegen hun moeder, mijn vriendin. Zo ver ga ik het met mijn enkele jaren jongere jongens écht niet laten komen, denk ik dan.
Hoe lang is het geleden dat vader zichzelf eerst mocht bedienen aan tafel? Eén
generatie? Misschien twee. Nu zie ik in de meeste gezinnen dat de ouders als laatste krijgen. Zo doe ik het ook. Ik eet de restjes. Het zegt wel iets, hé. Kinderen zijn vaak koningen, en dat heeft iets moois. Maar het kan ook schaduwkanten opleveren, zoals een totaal ongepast gebrek aan respect. En ik ben niet bereid dat te verdragen. Want we doen het maar allemaal, hé. Taxi, brood op de plank, proper huis, propere kleren. En daar moet niets tegen overstaan. Kinderen moeten niet mee gaan werken om geld binnen te brengen. Gelukkig. Meehelpen in het huishouden is ook al niet meer zo evident. En dat hoeft voor mij allemaal ook niet per se. Maar respectvol, beleefd en wellevend tegen mij spreken: dat is mijn absolute ondergrens. Nozems! 🙂