Vechtscheidingen: kan niemand dan ingrijpen?

Zeven jaar geleden moest voor een vriendin van me, die dag een van de mooiste van haar leven worden. Haar tweede kind werd geboren. Een dochter. Op de dag na de geboorte zat de trotse moeder nog half groggy, maar dol van geluk, op het kraambed te suffen. Er waren al een paar bezoekers geweest. Toen kwam er een man binnen die ze niet kende. Ernstig gezicht, keurig pak. Uit zijn aktentas haalde hij een bundel documenten. Haar man vroeg, totaal onverwacht, de scheiding aan, daar in het ziekenhuis, op de eerste dag van het leven van hun tweede dochter.
De moeder protesteerde, met haar dochtertje op de arm. De ambtenaar zei alleen: “Meneer heeft ook rechten.”
De dochter is nu zeven jaar. Zij en haar broer verblijven telkens een week bij papa, een week bij mama. Dat besliste een rechter. Want er is nog steeds geen akkoord. Elke keer zorgt papa voor vertraging met procedures en bezwaren. Hij houdt zich aan geen enkele afspraak, noch met rechters, noch met bijzondere jeugdzorg, noch met mama, noch met de kinderen. Hij weigert zijn kinderen naar hobby’s of verjaardagsfeestjes te brengen. Meermaals zegt hij afspraken voor belangrijke medische ingrepen voor zijn kinderen af, onder protest en onbegrip van niet één, maar een heel team van medische specialisten.
Hij gedraagt zich dus als ouder totaal onverantwoord. En toch …. Voelt u de woede borrelen in mijn pen? En toch haalt het gerecht, op vraag van die papa, de kinderen drie weken weg van mama. Papa zei ongerust te zijn over de veiligheid van de kinderen. Daar was geen enkele grond voor, concludeerden de bevoegde instanties na drie helse weken voor moeder en kinderen.
Zo’n kerel die aan alles zijn voeten veegt en zijn ex-vrouw pest met leugens voor het gerecht. Die de scheiding aanvroeg op het kraambed, omdat hij een ander had. Een man die procedure na procedure aanspant, maar er intussen niet in slaagt om fundamentele vaderlijke taken op te nemen in de weken dat hij de kinderen heeft. Moeten we die zomaar ongehinderd zijn gang laten gaan?
En dit is nog maar een piepkleine weergave van zeven helse jaren voor deze moeder, haar kinderen, de hele omgeving en wellicht ook de vader zelf.

Ik ken nog vier andere gescheiden koppels in gelijkaardige situaties. Vier! In mijn beperkte omgeving. Niet allemaal zo pijnlijk schrijnend als deze, maar wél minstens even langdurig. Moeten we dat normaal vinden? Dat weiger ik. De vriendin in kwestie schreef intussen al twee brieven naar het ministerie van Welzijn, over het aanslepen van deze slopende, onrechtvaardige, onnodige én peperdure rechtsgang. Er kwam geen antwoord.
Maar ik ben als papa wél klaarwakker. Hiervoor kruip ik in mijn pen! Want in de situaties waarover ik het heb, lijken de rechten van almaar procederende, vaak onredelijke ouders, altijd voor te gaan op het welzijn van de redelijke partner en de kinderen.
Veel (v)echtscheidingen hebben twee kanten, maar bij niet allemaal moeten we die beide kanten even serieus nemen. Het zijn moeilijke situaties en gemakkelijke oplossingen zijn er ongetwijfeld niet. Maar zo kan het toch echt niet verder? Ik ben alvast van plan om schrijnende voorbeelden te verzamelen en ermee naar juristen te stappen.

Heb jij ook zo’n verhaal? Laat het hier weten of via redactiedebond@gezinsbond.be

 

Een framboos voor de eeuwig­heid

De zon schijnt. Ik ben thuis aan het werk. Mijn jongste zoon zit in de derde kleuterklas. Ik haal hem op om thuis te komen eten. Of nee: ik haal hem op en rijd met hem naar de pluktuin! Het is tenslotte het laatste jaar dat hij een namiddag op school kan skippen. Zomaar… omdat het lekker weer is. Hij is in zijn nopjes als ik het hem vertel.
“Heb je boterhammen mee?”
“Ja!”
“Moet ik die dan in het fietsstoeltje opeten?”
“Ja.”
“Yes!”
Ik ga naar de pluktuin om groenten te oogsten. Daar houdt hij ook van: chinese kool, broccoli, postelein. Een haal met zijn mes en hij dropt ze in ons mandje. Wortelen uit de modder trekken doet hij al even graag, of boontjes plukken. Maar liefst van al propt hij aardbeien en frambozen in zijn mond. De frambozenoogst valt tegen vandaag. We vinden er twee. Ik stap al verder, de sla tegemoet.
“Wacht papa!”
Hij komt naar mij, de dikste framboos rond zijn pink geprikt.
“Die is voor jou.”
“Voor mij?”
Ik hou ontzettend veel van fram­bozen, maar hij ook. Dus liet ik de enige twee voor hem. Nu steekt hij zijn pink uit naar mij. Zijn mondje gaat open. Ik word teruggeslingerd in de tijd. Ik zit in de tuin. Hij in zijn relax, een kleine baby. Ik geef hem pap met de lepel, terwijl zijn peter toekijkt. “Besef je dat jij bij elke hap die hij moet nemen, ook je mond opent?” vraagt de peter.
Ik begreep dat het wellicht een idioot zicht was, maar ik bleef het doen. Ik deed voor wat hij moest doen. Mondje open. Lepel binnen.
En nu, een kleine vijf jaar later, doet hij hetzelfde voor zijn papa. Mondje open, framboosje op zijn pink. Hap maar lekker, papa.
Ik slik. Een traan rolt langs mijn neus. Ik sluit mijn ogen, en open mijn mond voor een heerlijke hap.
Deze pink, deze framboos. Dit snoetje met het mondje open. Het feit dat hij dit overneemt van mij. Het happen in de lucht. Deze zon. Het schenken van de laatste framboos. Het klein zijn. Nog niet schoolplichtig zijn, misschien. Het weggeven van de grootste framboos. De liefde in zijn ogen. De liefde tussen mij en mijn zoon. Het is zo mooi. Ik wil het me blijven, blijven en blijven herinneren, voor eeuwig en altijd.

De Wakkere Papa

Lezen om er niets van te begrijpen

Ik lig op mijn rug met een boek. De zon schijnt op mijn lijf, maar net niet in mijn gezicht. Het liggen, het lezen en de stralen van de zon warmen me op. En de verhalen van Toon Tellegen, over de eekhoorn en de mier. Er is, op dit eigenste moment, geen heerlijker plek op de wereld dan hier. En dat voelt mijn bonusdochter haarfijn aan, want ze komt naast me liggen.
“Wat lees je?”
“Lees maar mee.”
Even lezen we samen. Ik houd het boek heel eerlijk in het midden tussen ons in.
“Pfff … da’s veel te gemakkelijk,” zegt mijn bonusdochter een beetje hooghartig, en ze draait zich weg. “Dat is niet eens AVI 3.”
“Oh… zal ik dan een stukje voorlezen, als het te gemakkelijk is voor jou om zelf te lezen?”
Ik lees een hoofdstuk voor. Over de eekhoorn en de olifant. Zij begrijpt er niets van. We doen er nog eentje. De mier komt er ook bij. Zij begrijpt het niet. En ook het volgende over de zwaan en de sprinkhaan niet.
“Leg ik het dan maar weg?” vraag ik.
“Nee! Lees verder!”
We lezen verder. Ik lees een hoofdstuk voor, en dan zij. We lezen tot de zon ondergaat. En begrijpen er samen niets van. Net zoals de dieren uit het bos van Toon Tellegen begrijpen we niets van het leven. Maar dat hebben we dan tenminste toch begrepen. Dat we er niets van begrijpen. En ook dit. Te gemakkelijke boeken lezen mag, en het is blijkbaar nog leerrijk ook.
“Jij dacht dat boeken alleen maar dienen om te leren lezen, hé?!” zeg ik.
“Misschien…” zegt zij.”
“Maar ze dienen ook om lekker in de zon te liggen in een bos, met een eekhoorn en een mier. En een olifant …”
“… en om er samen geen sikkepit van te begrijpen,” giechelt mijn bonusdochter.

De Wakkere Papa

Nooit meer heel

Ik zit, zoals ik dat wel vaker vind, op de mooiste plek op aarde. Een zacht bed van dennennaalden onder mij. Takkenkruinen omringd door blauwe lucht boven mij. En overal rondom mij rechte dennenstammen, met daartussen glinsterend, lief golvend water.
En het wordt nog mooier. Van over een zandstrandje links van mij komt een meisje aangewandeld. Acht, misschien negen jaar. Zoals mijn oudste zoon. Ik zie, tegen de zon in, alleen haar silhouet. Ze stapt precies op de waterlijn, voetje voor voetje. Achter haar volgen een kleiner meisje en jongetje. Nog verder een man en vrouw. Ze komen dichter, een prachtige karavaan van scherp afgetekende figuren. Ze beklimmen samen, met vereende krachten, de heuvel waarop ik zit.
De man knikt vriendelijk. De vrouw spreidt een deken uit en vult het met heerlijke hapjes. “Oh mama,” zegt het meisje, “dit is zo leuk!” “Het was papa’s idee hoor,” zegt de vrouw.
De papa slaat zijn arm om de schouders van de mama. De kinderen komen erbij in een warme knuffel op deze magische plek. Mijn stemming slaat om. Mijn maag schiet in een kramp. Ik besef met een koude klap dat dit precies is waar ik in het leven nog het meest naar verlang. Zo’n gezinsmoment. Zo’n samenzijn dat elke mooiste plaats op aarde nog duizendmaal blinkender doet stralen. Ik heb daar zo weinig van gehad. Ik was nog geen drie jaar toen mijn ouders uit elkaar gingen. En later was mijn oudste zoon er net drie bij het breukmoment tussen zijn moeder en mij.
Terwijl ik verder kijk naar dit mooie moment waartoe ik niet behoor, besef ik: dit is niet voor mij weggelegd. Deze heelheid, iedereen die er is. Het staat gewoon niet op mijn programma. Nooit meer. Het valt me zwaar. Maar ik neem dit nieuwe begrijpen van mezelf aan, zonder sentiment. En, ik zweer het, precies op dat moment verdwijnt de zon achter de lage wolken.
Ik neem een stuk papier en schrijf alles op. Wat moet ik er anders mee? Tegen de tijd dat dit stukje is geschreven, daar op die heuvel boven het water, is het gezinnetje alweer verdwenen. Ik heb hen niet eens zien vertrekken. Ik sta op, rek me uit en zucht. En dan, op dat uitgelezen moment, floept de zon totaal onverwachts, toch nog eens onder de wolken uit. Het water blinkt. De hele heuvel baadt in goud. Een eend kwaakt vrolijk. Voor mij alleen.

De Wakkere Papa

Vader, moeder zult gij…!

“Papa. Heb je mijn band nu nóg niet opgepompt?”
Mijn vijfjarige zegt het aanvallend, vol onbegrip. Ik reageer niet.
“Papa! Luister naar mij!” roept hij.
Ik kijk récht voor me uit.
“Papaaaaaaa!”
Ik wacht tot hij kalmeert.
“Papa, waarom hoor je mij niet?”
“Wát?” zeg ik, gespeeld maar overtuigend boos. “Was jij daarnet zo tegen míj aan het roepen?”
“Ja!”
“Oh! Leer dat dan maar gauw af! Want zo spreek je niet tegen je papa, of je mama. En wees ook maar beleefd tegen andere volwassenen. En knoop maar in je oren dat ik nooit, nooit zal reageren als je zo tegen me praat.”
Het klinkt heel dictatoriaal. Maar ik meen het, hoor. Dit is geen grap.
Ja: vader, moeder zult gij eren. En dat verdien ik ook. Ik had zijn band niet opgepompt, maar ik heb wel zijn lievelingssoep gekookt en haal hem ’s middags lekker op aan school. Dan wil ik niet afgesnauwd worden. Mondigheid is prima, maar als kinderen dan toch mondig zijn, dan mogen ze meteen leren om wát ze te zeggen hebben, op de juiste manier te zeggen.
Ik ben er extra gevoelig voor sinds ik regelmatig tandenknarsend meemaak hoe onrespectvol mijn bonuskinderen soms spreken tegen hun moeder, mijn vriendin. Zo ver ga ik het met mijn enkele jaren jongere jongens écht niet laten komen, denk ik dan.
Hoe lang is het geleden dat vader zichzelf eerst mocht bedienen aan tafel? Eén
generatie? Misschien twee. Nu zie ik in de meeste gezinnen dat de ouders als laatste krijgen. Zo doe ik het ook. Ik eet de restjes. Het zegt wel iets, hé. Kinderen zijn vaak koningen, en dat heeft iets moois. Maar het kan ook schaduwkanten opleveren, zoals een totaal ongepast gebrek aan respect. En ik ben niet bereid dat te verdragen. Want we doen het maar allemaal, hé. Taxi, brood op de plank, proper huis, propere kleren. En daar moet niets tegen overstaan. Kinderen moeten niet mee gaan werken om geld binnen te brengen. Gelukkig. Meehelpen in het huishouden is ook al niet meer zo evident. En dat hoeft voor mij allemaal ook niet per se. Maar respectvol, beleefd en wellevend tegen mij spreken: dat is mijn absolute ondergrens. Nozems! 🙂

Dochter voor een dag

“Mijn haar moet nog gedaan worden, hé.” Ik draai me om in de hal van het zwembad, zet mijn rugzak weer neer en glimlach. “Oké. Tijd genoeg. Zeg maar wat ik moet doen.” “Eerst haren uitwringen. Dan helpen met de droger. En dan weer opsteken.” Stap drie blijkt het moeilijkst. Ik krijg het haar niet meer in de gewenste vorm opgestoken. “Niet erg… maak dan maar gewoon een staart.” “Een staart?” Ik breng, voor het eerst, een volledige dag door met mijn bonusdochter. En ook al kennen we elkaar al heel goed, en zorgde ik op veel momenten voor haar: zo’n volledige dag blijft toch iets anders. Ik kreeg, bijvoorbeeld, geen programma mee zoals ‘halfnegen aan de tekenacademie. Koekje en drankje meegeven.’ Nee. Niets. De dag is leeg, en het is aan ons tweeën om hem te vullen tot bedtijd.
‘s Morgens kies ik, zoals ik met mijn eigen kinderen doe, een huishoudelijke taak die ik kan doen in de buurt van waar er gespeeld wordt. Strijken naast het poppenhuis. Algauw staat zij mee te stomen op haar kleine plankje. We zijn soms samen, soms alleen in huis tot de middag. Dan vertrekken we met de fiets. Zonder vast plan, maar mét een boodschappenlijstje, zwemkledij en nog uren tijd.
Ik vind het heerlijk om met haar rond te gaan. Als ze moe is, laten we haar fiets achter en komt zij bij mij achterop. We nemen de luxe om niet naar de tijd te kijken. Hoe meer de dag vordert, hoe meer ik voel dat mijn positie verandert.
Bonusvader, stiefvader. Sommigen zeggen ook pluspapa. En zo voel ik me vaak ook. Iemand die aan een situatie wordt toegevoegd. Ik help wat, vul de gaten op. Maar mijn ‘plus’ verandert weinig aan het bestaande systeem. Regels, gewoonten, afspraken… alles loopt door. En ik help op kousenvoeten, om niets te verstoren.
Vandaag is dat niet zo. En daar genieten we allebei van. Mijn bonusdochter maakt kennis met hoe ik zélf vader. Ik sta, na een poosje, helemaal in mijn eigen vaderlijke kern. En ze vindt het, alvast voor één dagje, prima! We rijden rond, doen dringende en minder dringende boodschappen, babbelen op een bank, plonzen uren in het zwembad en haasten ons uiteindelijk nog om voor het donker thuis te zijn. Een onverhoopt geschenk van het leven: ervaren hoe het is om een dochter te hebben, voor één dag. En leren hoe je een paardenstaart maakt.


Ben jij ook een plusouder? Of had je om een andere reden ooit een héle dag met andermans kind? Vertel!

Onsportieve opa

Het was niet mijn idee om van mijn zonen vurige veldritfans te maken. Eerder dat van hun opa. Ergens had ik gehoopt dat hij eerder zijn voorliefde voor verfijnde humor, gedurfd theater en de betere film zou doorgeven aan zijn kleinzonen. Maar goed … je krijgt wat je krijgt. Ooit zagen mijn jongens veldrijden op televisie. Ze vonden het geweldig. Het wordt ook magistraal in beeld en klank gebracht, moet ik zeggen. En toen opa lucht kreeg van het enthousiasme van zijn kleinzoons ging hij het vuur meer en meer oppoken.
Nu gaat er geen winterse weekenddag voorbij of mijn zonen vragen: “Is er koers geweest?” Ik vind altijd wel een online samenvatting waar ze heel blij mee zijn. Mijn jongens zijn extreem betrokken, op verschillende manieren, voor, tijdens én na de cross. Buiten crossen ze op hun loop- of pedaalfietsen door het gras, de perken en (helaas) het kippenhok. Hoewel dit nergens nodig is, heffen ze af en toe hun fiets op, voor de vorm. Ik verzin dit niet. Ze doen het soms zelfs op weg naar het station, liefst wanneer ik haast wil maken om de trein te halen. Even honderd meter lopen met de fiets … Commentaar geven doen ze ook, tijdens de uitzending, bij hun spel met knikkers, in hun slaap. Soms zelfs wanneer papa fietst met hen achterop … en een sportievere fietser ons voorbij knalt. “Daar gaat van der Poel!”, roepen ze dan. “Oh oh oh! Van Aert gaat erover. Oh nee … het is Van der Haar!”
“Maar van der Poel is wel zwaarder geladen hoor,” puf ik dan. Ik vraag wat mijn jongste zoon wil doen voor zijn verjaardag. Met een paar kindjes, zonder extra kindjes? Thuis, zwemmen, schaatsen, naar de natuur, …
“Is er koers? Ik wil met de kindjes koers kijken!” Freaks …
Eerst dacht ik: “Moet ik dit wel verder stimuleren? Waar gaat dit eindigen?” Maar ik kan er eigenlijk ook vrij weinig tegen in brengen. Sport is ongetwijfeld stichtender dan een deel van het andere aanbod op televisie. Dus kijken ze regelmatig naar een veldrit, of een samenvatting. Ook de ronde van Frankrijk, Spanje of zelfs, godbetert, Groot-Brittannië komen intussen aan bod. En natuurlijk het voetbal, en de olympische én paralympische spelen. Whatever. Als het maar sport is.
Wat is dan eigenlijk het probleem? Wat heb ik tegen deze sportieve interesse van mijn zonen? Het is die opa. Hij stuurt zelfs mij, zijn ex-schoonzoon, soms berichtjes voor zijn kleinzonen, zoals deze: “Gisteren scoorde een Belg in de finale van de Champions League. Carrasco.” Hij zorgt er ook voor dat mijn kinderen perfect weten welke derderangs wielerwedstrijd er tijdens mijn dagen met hen op televisie is, zodat zij kunnen zeuren om ernaar te mogen kijken of er op tijd voor thuis te zijn. Ik kan nog amper het huis uit als het van hem/hen afhangt.
En zelfs dat op zich is allemaal niet zo erg. Maar het punt is: opa is zélf niet zodanig geïnteresseerd in sport. Nooit geweest. Je voelt langs alle kanten dat hij die sportmanie gebruikt om de jongens aan zich te binden, en bij hen in het gevlei te komen. Om de leukste grootouder te zijn. En dat is niet nodig. Want de jongens hebben hun opa sowieso graag. Dus waarom dan nog zo manipulatief doen? Wel … ik vind het gewoon niet sportief.


Wie manipuleert jouw kinderen? Vriendjes, oma, mama, de televisie?