Papa klopt soms!

“Papa klopt soms,” zegt mijn jongste zoon wel eens. Dat is niet zo goed voor mijn reputatie. Tijd om uit te leggen wat je kind precies bedoelt, krijg je niet. Dus ja … laat maar waaien, denk ik als hij me weer eens aan de schandpaal nagelt. Gelukkig kan ik als wakkere papa 3000 tekens lang ononderbroken filosoferen … en mezelf verantwoorden J

Ik ben nogal geduldig van aard. Dat is prima. Maar soms doe ik geduldiger dan ik eigenlijk ben. Ik laat over mijn grens gaan. Ik laat iets toe dat ik eigenlijk ontoelaatbaar vind. Ik lees dat extra boekje, na veel gezeur toch voor, hoewel ik er hoegenaamd geen tijd voor heb. Daar komt stress van, tijdsdruk, maar ook gewoon een onevenwicht: ik doe mezelf tekort.

Geef ik mijn kinderen te weinig aandacht of eigen vrije tijd, dan laten ze zich gelden. Doe ik mezelf tekort, dan zorgt een stukje van mezelf voor een kortsluiting. Mijn geduld is op. Ik kondig geduldig en vredevol aan dat er opgeruimd moet worden, zoals elke avond voor het slapen gaan. Mijn jongste zoon negeert het. Ik vraag hem of er een reden is waarom hij niet mee opruimt met zijn broer.

“Nee. Ik ruim niet op.”

Ik wijs hem op de consequentie. Als hij niet mee opruimt, moet ik het in zijn plaats doen. En dan heb ik geen tijd om een verhaaltje voor te lezen in bed. Daar komt gezeur van, uiteraard. Kleine broer krijgt geen verhaal, grote broer wel. Kleine broer verstoort daarom het verhaal van grote broer. Hij komt heel dicht bij me en toetert van alles in mijn oor. Hij stopt niet als ik het hem zachtaardig of streng vraag.

En dan: (eindelijk J) – bij uitstek op het einde van de dag – kan hij dan wel eens een duw krijgen van zijn overprikkelde papa. Mijn hand schiet uit. Of ik grijp zijn arm, te hard, om hem terug op zijn eigen plaats te leggen. Het is ontlading, geen intentie om pijn te doen.

“Dat wilde ik niet doen, maar ik heb je eerst wel vriendelijk gevraagd om te stoppen,” zeg ik dan. Maar toch schaam ik me er erg voor. Is dat terecht? Ik vraag het me af. Voor alle duidelijkheid: ik geloof niet in lijfstraffen. “Als je nu niet mee opruimt, krijg je een lap rond je oren.” Dreigen met geweld dus, dat zit niet in mijn gereedschapskist als ouder.

In mijn geval is het eerder iets dat me overkomt. Het wordt allemaal even te veel. In de meeste gevallen voel ik het aankomen en klop ik eens hard op een kussen of op tafel: weg fysieke agitatie. En de kinderen weten meteen hoe laat het is. Maar soms … doe ik mijn lieve jongens dus pijn, zonder dat ik dat wilde.

Het nadeel: ze leren dat een zekere vorm van fysiek geweld tot de woordenschat behoort. En ze reageren soms ook zoals hun papa. Het voordeel: ze leren omgaan met een zekere vorm van fysiek geweld, met zelfbeheersing en wat er gebeurt als je die verliest. We praten erover en zoeken samen naar manieren om dit soort situaties te voorkomen.

Als ik me na zo’n moment schaam, vraag ik me af wat het ergste is: iemand pijn doen met woorden of met daden? Sommige ouders krijsen de hele dag tegen hun kinderen. En vaak niet in de meest vriendelijke bewoordingen. Soms omdat het ook hen te veel wordt. Soms lijkt het bijna bewust en systematisch kleineren van hun kinderen. Als een manier om hen onder de knoet te houden. Vinden we dat erger, of minder erg dan fysiek pijn doen? Zijn woorden werkelijk minder gewelddadig dan daden? En hoe gewelddadig laten we onszelf toe te worden, als we al dan niet onze zelfbeheersing verliezen?

De Wakkere Papa

Papa … mag dat wel?

“Papa … mag dat wel?”
Oh nee. Daar is mister moraal weer. Mijn oudste zoon. Altijd klaar om papa’s acties in vraag te stellen. Vaak wantrouwig dat de politie zal komen om ons op te pakken. Het gaat misschien meer over angst. Hij is bang dat ik hem en zijn broer in gevaar of in een onaangename situatie breng. En dat steekt me, natuurlijk. Alsof ik dat ooit zou doen …
“Weet jij wel waar we moeten zijn, papa?” zegt hij dan.
“Ja lieveke. Volg nu maar gewoon.”
Of: “Mag je wel voorbij deze wegversperring?” “Nee lieveke. Maar kom maar snel mee. Fietsers kunnen er wel door.”
Hij vertrouwt me dan niet helemaal, en dat vind ik heel onaangenaam. Het kost ook tijd. Uitleg geven, hem gerust stellen en meekrijgen, …
Ik leer mijn kinderen om voor zichzelf te denken. Ze moeten niet klakkeloos alle regels volgen. Of vertrouwen op de ander. Ik zeg niet: “Steek de straat over, nu!” Ik vraag: “Is dit een veilige plek om over te steken? Komt er iets? Heb je gekeken? Gaan we over?” Zo leren ze zelf … leven. En de dingen in vraag stellen. Maar als ze mijn regels en acties in vraag stellen, dan steekt me dat blijkbaar. Misschien had ik gehoopt dat ze tot het zesde middelbaar zouden wachten om hun vader van zijn sokkel van perfectie te halen? Noppes dus.
Soms vermoed ik dat er nog iets anders speelt. Zetten mijn ex-vrouw of ex-schoonfamilie vraagtekens bij mijn acties? Ondergraven ze mijn waarden en ouderlijk gezag met opmerkingen in het bijzijn van de kinderen? Ik ken hen niet meer. We hebben weinig écht contact. Het zou dus kunnen. Maar ik denk van niet.
Misschien maak ik een vertaalfout. Mijn zoon vraagt: “Is dit wel een veilig idee?”. Maar ik hoor: “Ben jij wel een goede papa?”. Zou het dat zijn wat steekt? Zou best kunnen. Ik heb er wel eens last van. Een gebrek aan bekrachtiging. Iemand die zegt: “Je doet het prima. Dit is de juiste keuze.” Iemand met wie je overlegt over gezamenlijke standpunten, aankopen, regels en lepe ouderlijke trucjes. Dat stuk van ‘samen opvoeden’ mis ik wel, als gescheiden ouder. De bekrachtiging van samen ergens voor te staan en op elk moment vol vertrouwen te weten dat het de goede weg is. Maar misschien is dat een illusie. Er zijn hopen niet gescheiden ouderkoppels die amper tot ‘samen opvoeden’ komen en massa’s niet gescheiden ouders die zich totaal niet gesteund of bekrachtigd voelen door hun partner.
Het is iets in mij. Ik sta achter mijn eigen keuzes en handelingen. Ik heb vertrouwen in mezelf als ouder. Maar als mijn eigen kind me in vraag stelt… Ja, wat gebeurt er dan? Misschien spant die vraag samen met dat kleine stemmetje in mij dat vindt dat ik een heel geweldige papa moet zijn. Dat stemmetje houdt me wakker als papa. Prima! En boeiend! Maar het moet wel niet te ver gaan natuurlijk. Vertaalfouten en andere valse trucjes in mijn hoofd. Daar schieten we niets mee op. Dus zeg ik voortaan niet meer luidop tegen mijn oudste zoon: “Vertrouw nu maar op je papa.” Ik zeg het stilletjes, tegen dat stemmetje in mijn onderbuik. “Vertrouw me nu maar. Ik ben een goede papa.”

De Wakkere Papa

Mama… floeps… eronderdoor

Het gebeurde op een vroege lentedag. De zon scheen en de wind waaide warm en zacht. Het seizoen begon de tuin te betoveren. Elke narcis riep uit: “Kijk, ik ben er. De winter is voorbij.” Tulpenknoppen rezen al krachtig hoog boven de grond, klaar om ons te bedelven onder een wekenlang vuurwerk van vrolijke kleuren. Misschien kwam er een bericht, of een mail. Misschien was het een telefoon. Slecht nieuws. Of goed nieuws.
Wat dan ook… Het was de druppel voor mijn vrouw, de moeder van mijn kinderen. Zij zag de lente niet. Ze staarde, en niets anders. Al een uur of twee. En zelfs het staren verdween. Heel langzaam deemsterde het. Zoals een zwak, melkachtig zonnetje zonder ook maar een glinstering ondergaat onder een dik grijs wolkendek. Zij zat daar maar en zakte door het ijs, roerloos, ongeïnteresseerd. Ze verdween in een zwart gat. Uit haar al oneindig lege ogen verdween nog meer leven. Ik weet nog dat ik het niet kon geloven. Hoe snel je verdwijnt. Dat je kan blijven vallen. Dat er nog iets legers bestaat dan leeg. Ik dacht: “Ik ben haar aan het verliezen.”
Ik besefte dat ik snel moest zijn. Een touw werpen. Haar terughalen. Ik geloof dat ik sprak, of riep. Misschien raakte ik haar aan. Maar het versnelde alleen haar val in het niets. Steeds verder. Ik herinner me nog hoe helder ik de ernst van de situatie aanvoelde. Het moet nu gebeuren. Anders blijft ze daar. Ik keek rond me, op zoek naar iets. En daar zat onze oudste, toen enige peuterzoon, in het zonnetje. Misschien hing zijn snoet vol fruitpap. Misschien vol modder of zand. Hij lachte zo lief, zo oprecht onschuldig en werkelijk als kinderen maar kunnen lachen. Ik zette hem op de levenloze schoot van zijn moeder.
Misschien maakte hij een geluidje. Misschien raakte hij haar aan. Ik geloof niet dat ze uiterlijk reageerde. Haar mond bleef roerloos. Geen glimlach, zelfs geen grijns. Maar ik zal nooit vergeten hoe haar ogen een fractie van een seconde oplichtten. Daar was het, dat mijn zoon zijn moeders leven redde.
Het was de glinster van de hoop. “Dat heb ik gezien,” riep ik uit. “Je lachte! Je hebt gelachen!” Die fractie van een seconde stopte haar val. Terugkomen deed ze… langzaam. Misschien sprak ze de volgende dag. Misschien kon ze twee weken later een blokje rond wandelen. Misschien na een maand weer fietsen. Telefoneren duurde een half jaar. De laptop aanzetten… nog langer.
Bezoek ontvangen, daar was zij te kwetsbaar voor. Een blik kon haar zo weer terug doen vallen. Dus schermde ik haar af. En zorgde ik alleen voor haar en onze jongen. Ik weet nog hoeveel pijn het me deed hen achter te laten, op weg naar het werk. Soms belde ze al na tien minuten. Stilte. Het ging niet. Maar mijn trein reed al. Ja, ik vertrok geen minuut te vroeg.
Er was zoveel vreugde en lichtheid. Om die lieve kleine jongen van mij. Er was zoveel zwaarte en verdriet. Soms geneerde ik me omdat ik meeging in beide.
Het was… zwaar. Maar er was geen andere weg. Dus gingen we de weg samen. Zij raakte zwanger. En met het kind in haar buik groeide bij haar heel langzaam weer wat hoop en kracht. Veerkracht. Knap van haar. Respect.
Waarom vertel ik dit, vier jaar later? Ik kwam iemand tegen. Een mama. Gelijkaardige situatie. Kleine kindjes. Man plots… floep… eronderdoor. En zij in spreidstand. Aan de ene kant de onstuimige vreugde van de kinderen, van die prachtigste periode uit het leven van velen. Ouder zijn van jonge kinderen. Aan de andere kant het op de tenen lopen, het stille geduld, de bedrukte sfeer bij haar man. En niet te veel verwachten, niet te snel. Even wachten. Hij komt er wel. Maar intussen razen het leven en de kinderen in impulsen verder. En zij zorgt voor het hele gezin. Respect. Misschien helpt dit: je bent niet de enige. Je hoeft niet alleen te zijn.

De Wakkere Papa


Moest jij ooit voor je kinderen én je partner zorgen? Hoe deed je dat? Wat als het ene gezinslid zich lekker voelt en het andere niet? Botst het dan? En hoe vang jij dat op als ouder?

Mijn dochter is gestorven

Ik loop over het kerkhof, op zoek naar het graf van mijn grootmoeder. Bij een nieuw graf, overdekt met bloemen, staan een man en vrouw. De vrouw staart me even aan, met afwezige, rode ogen. Ik zoek verder. Natuurlijk vind ik mijn grootmoeder niet. Maar misschien was dat ook niet belangrijk. Ze is niet hier, maar was het laatste half uur wel in mijn gedachten.
Ik kom, na mijn derde rondje, weer bij de vrouw. Ze stapt op mij af.
“Geef jij les?” zegt ze.
“Soms …” zeg ik.
“Jij was vorig jaar op de school hier vlakbij.”
“Ja! Fijne school!” zeg ik.
“Zeliya zat in jouw groep, mijn dochter.”
“Ja … ja!” zeg ik.
“Mijn dochter is gestorven,” zegt ze, alsof ze het zelf niet echt gelooft. “Ja … vorige week is ze hier begraven.”
Verder raakt ze niet. Daar staan we dan. De papa komt erbij staan. Ik herken hem van ergens. Maar dat is nu van geen belang.
“Wat … wat is er gebeurd?” vraag ik.
We praten. We zwijgen. We staan bij elkaar in verbijstering over de plotse en onbegrijpelijke dood van hun kind. Ik heb tijd. Zij ook. Ze hadden maar één kind, blijkbaar. En nu plots alleen elkaar en een job, huis en leven dat afgestemd was op een kind. Ze moeten nog niet terug gaan werken. Ze krijgen even tijd om er niets van te begrijpen. Ze ruimen de vele bloemen op het graf van hun kind op.
“Anders wordt het een smeerboel.”
Waar moeten ze ook anders heen. Geen babbels aan de schoolpoort meer, of op de jeugdvereniging van hun meisje. Geen boekentas te maken, boterhammen te smeren. In de wasmand ligt nog een berg meisjeskleren. Maar dat is niet langer dringend.
Dus staan we daar. Misschien, wellicht, wil ik iets doen voor deze mensen. Maar er valt niet veel te doen. Ik laat hen vertellen. Ik luister. Ik denk: “Er is geen rechtvaardige god.” En direct daarna: “God, of wie dan ook, bewaar mijn eigen kinderen.”
Ik heb me dat vaak afgevraagd, maar voor het eerst in mijn voel ik met de allergrootste zekerheid: “Ik zou onmiddellijk mijn leven geven voor dat van mijn kind. Met of zonder nadenken.”
Ik besluit me eindelijk eens te gaan opgeven als stamceldonor. De gemakkelijkste manier om een (kinder)leven te redden. Maar ook dat helpt deze ouders niet. We praten verder. Enkele keren nemen we half afscheid. Maar ik besef dat ik op dit moment op de hele aarde niets beters te doen heb dan er even te zijn voor deze mensen. En zij vertellen. Over die avond, de begrafenis, hun huis, hun dag van vandaag. Ik luister, verstild, vol warm mededogen voor deze mensen. Meer kan ik niet doen. En dat vervult me van zo’n diep verdriet, dat ik onmiddellijk na ons afscheid, nog op het kerkhof, in tranen deze tekst schrijf voor hen en alle andere ouders die ooit een kind verloren. Mijn diepste medeleven. Het is niet veel. Maar het is het beste wat ik heb …

De Wakkere Papa


 
Verloor jij zelf ooit een (klein)kind? Wil je graag je verhaal delen? Waar heb jij iets aan bij het omgaan met dit verlies?

Mijn kind is geen bal waard!

“Ons Jolien is echt verschrikkelijk met ballen”, zegt een vrouw in de speeltuin. “Of het nu gooien is of sjotten, basket of petanque. Laat staan jongleren… Nee, op dat vlak is ze geen bal waard.”
De vrouw buldert van het lachen. Ik hoor het verbaasd aan. Ik voel zelfs een beetje verontwaardiging.
“Dat zeg je toch niet over je eigen kind”, zegt een stemmetje ergens in mij.
Maar tegelijk kan ik geen negativiteit bij deze vrouw ontdekken. Ze spreekt eigenlijk heel liefdevol over haar eigen kind. En Jolien staat naast haar te blinken. Ook zij heeft nergens last van. Integendeel. Ze gooit een bal op, rent erachteraan, probeert ertegen te trappen, wat tot zichtbaar genoegen van haar moeder grandioos blijft mislukken.
“Maar ja… ze speelt daarom niet minder graag met de bal, hé”, zegt de mama.
En inderdaad. Je kan er niet naast kijken. Jolien speelt graag met de bal. Tot mijn eigen schaamte vraag ik me af of Jolien een verstandelijke handicap zou hebben. Ik onderzoek mijn eigen gedachte. Waarom zou dit kind een verstandelijke handicap moeten hebben?
Het antwoord komt als een bliksemschicht bij me binnen. Deze vrouw vindt het helemaal niet érg dat haar kind niet goed is met ballen. Dat hoeft voor haar niet. Jolien weet dat, dus voelt ze zich vrij om onhandig, maar heerlijk genietend, met de bal te spelen. Er schuilt een waarde in het vrank en vrij benoemen van de zwakheden van je kind. Het werkt bevrijdend. Jolien ziet dat mama het niet erg vindt dat ze niet met ballen overweg kan. Dus vindt zij het ook niet erg. Natuurlijk zal ze in haar spel met andere kinderen merken dat zij het minder vlot kan. Maar dan nog weet ze zich daar gesterkt door de zekerheid dat haar mama haar accepteert met haar sterke én zwakke kanten.
Veel ouders van een kind met een handicap slagen erin hun verwachtingen bij te stellen. Zij worden daarbij natuurlijk een handje geholpen door hun situatie. Hun kind is toch een beetje anders dan de andere kinderen, dus vergelijken met andere kinderen is sowieso moeilijk. En zo wordt het iets gemakkelijker om je kind te ervaren en te benoemen, helemaal zoals het is. Dus mijn spontane gedachte of Jolien een handicap zou hebben, was helemaal niet zo gek.
Als mijn eigen jongste zoon klaagt dat de juf hem niet verstaat, zeg ik nooit: “Ja jongen, dat is niet jouw sterke kant hé: praten. Jij kent niet zoveel woorden. Dus da’s moeilijker voor de juf dan bij andere kinderen.”
Het klinkt zelfs nu nog verschrikkelijk voor me om het zo uit te schrijven. Maar is het dat wel? Is het niet net heerlijk om de gedachte te laten varen dat jouw kind alles goed moet kunnen? Voor jou én voor hen! En in een adem aan te geven: dit is niet je sterkste kant, maar je mag en kan er wel van genieten. Niet goed kunnen, is niet langer hetzelfde als falen. Want je bereikte heel wat… plezier. Misschien ook groei. Want ook je zwakke kanten kan je ontwikkelen.
Ik probeer het meteen uit met mijn oudste zoon van bijna zeven jaar. Hij kan nog altijd niet schommelen. “Dat is niet je sterkste kant, hé”, zeg ik. Hij kijkt me niet begrijpend aan, een beetje beledigd zelfs. Hmmm… nog even wennen. Voor hem én voor mij. :)

De Wakkere Papa

Mogen we meer zeggen over ons kind dan alleen “goed zo”, “knap van jou” en “jij bent geweldig”? Wat denk jij ervan? En wat zijn je ervaringen?

Een gat in de dijk: bodemloos verdriet

In de school van mijn kinderen gaan de ouders ’s morgens mee tot bij de klas. Daar sta ik bij mijn oudste zoon. Eerste leerjaar intussen. Hij aarzelt even.
“Ik wil niet dat je weggaat, papa.”
“…”
“Ik wil dat je straks naar huis komt.”
“Mama komt je halen.”
“Maar jij moet ook komen. Als je klaar bent moet je naar huis komen.”
Ik ben klaar als de school uit is. Maar in de regeling tussen mij en mijn ex-vrouw is de woensdag voor haar. Of voor mij. Het hangt er maar vanaf hoe je het bekijkt. Zij heeft de kinderen.
“Jij moet ook komen, papa. Ik wil jullie allebei. Het duurt te lang.”
Zijn stem breekt. Mijn hart … ook. Ik vrees wat er nu komt. Ik ben niet bang voor het verdriet. Hij mag wenen. Ik ben blij dat hij weent. Misschien heeft hij nu pas begrepen dat de scheiding tussen zijn ouders niet tijdelijk is, maar definitief. Een onveranderlijk gegeven in zijn leven. Misschien komt het verdriet nu, in deze periode, vrij bij hem. Gisteren huilde hij meer dan een uur onbedaarlijk, ontroostbaar. Zoals baby’s kunnen huilen. Dan rennen we op ze toe. We voelen dat dat moet. Ze zijn overgeleverd aan de meest rauwe, onbegrijpelijke pijn. Het diepste verdriet. Baby’s hebben alleen die diepte. Er is nog niets anders.
Mijn zoon is daar ook. Hij huilt en kan niet stoppen. Hij kijkt niet meer. Hij is ergens diep vanbinnen. Tranen en verdriet stromen niet te stoppen door een gat in de dijk van zijn beheerste persoontje. Het voelt bodemloos. Er is geen einde aan. Zo was het gisteren ook, en eergisteren.
Maar de juf wacht binnen. Alle andere ouders zijn al vertrokken. En ik heb een belangrijke vergadering. Ik krijg de dijk niet hersteld. Hij ook niet. Ik laat hem achter bij de juf. Het scheurt mijn hart helemaal open. De hele dag komen er tranen om … alles. Een vriendelijke winkelbediende: een krop. Een luide vrachtwagen: tranen.
“Zo laat ik mijn kind nooit nog achter,” denk ik.
Maar enkele dagen later herhaalt de situatie zich. Er is gewoon zoveel verdriet. Het komt verschillende keren per dag in vloedgolven vrij. En het is dieper en echter dan wat dan ook. Maar ik moet ook écht weg. En hij moet even naar een vriendje. Ik wil hem zo niet achterlaten. Niet weer. Dus probeer ik het gat in de dijk te dichten.
“Je mag altijd wenen. Je mag verdrietig zijn. En ik maak tijd voor je,” zeg ik. “Maar nu gaat dat niet. Ik wil je niet zo achterlaten.”
Hij huilt. Ik praat. Ik roep, in een vertwijfelde poging om tot hem door te dringen. Ik dreig zelfs met straf. Ik kan het niet geloven: ik dreig met straf omdat hij weent. Ik, die zo tegen opkroppen ben. Maar ik wil hem zo niet achterlaten. Ik probeer iets anders. Ik neem zijn hoofd stevig in mijn handen. Ik praat nu rustig. Bij elke snik zeg ik: “gebruik die snik om terug te komen. Ga niet meer dieper in je verdriet.” We gooien zijn verdriet niet in een kerker.
“Je mag verdrietig zijn. Maar leg het nu even in een bedje en stop het toe.”
Langzaam, tergend langzaam terwijl de klok tikt, krijgt ik vat op mijn zoon, en hij op zijn verdriet. Samen dichten we het gat in de dijk. Hij kijkt terug helder, lacht. Dan komt er weer een snik. Hij dreigt terug overspoeld te worden. We ademen samen. Elke snik wordt een manier om het verdriet los te laten. We ontspannen. We werken een hele tijd samen. En dan begint hij plots te giechelen.

De Wakkere Papa

Laat jij je kind achter als het weent? En als het echt bodemloos verdriet is? Hoe pak jij dat aan? En hoe voel je je daarbij?

Fotoshoot in het paradijs

Heerlijk roze van Japanse kersenbloesems overal rondom me. Onbegrijpelijk diep blauw van de oneindig wolkeloze lucht boven me. Een gouden schittering in het zonovergoten meertje. Een waterval klatert. De vogels fluiten. En ik zit in het paradijs met nét te weinig tijd om ergens anders iets nuttigs te kunnen gaan doen. Jammer :)
Dus laat ik even mijn voeten in het water zakken, sluit mijn ogen en voel het koele water en de vriendelijk warme lentezon. Hier wordt iedereen toch dolgelukkig van! Het is te zeggen… Iedereen behalve die zenuwachtige mevrouw die zonder aarzeling, vraag of aankondiging mijn tas opzijschuift. Ze posteert zich op de vrijgekomen plaats, fototoestel in de aanslag. Ik volg de richting van haar lens. En daar staat hij, haar trotse zoon. Eerste leerjaar schat ik. Tijd voor een feestje. Nu ja… trots? Hij ziet er niet zo blij uit.
“Mama… die trui prikt.”
“Ja jongen… nog even. Ik krijg die flash niet af.”
Fotoshoots met de feestkinderen. Ook daarvoor is het de tijd van het jaar. En de perfecte plaats. Jammer? Nee hoor! Ik hou evenveel van mensen als van natuur. En humor kan ik ook wel smaken. Want het is natuurlijk pure slapstick. Jongens en meisjes stappen stijf over de paden, compleet overgeconcentreerd door de zondvloed aan aandachtspunten en bevelen. “Maak je kleren niet vuil!” “Daar! Nee, meer naar links!” “Maar … kijk nu eens deze kant op!” “Wacht, daar komt een mevrouw! Laat ze door. Die staat in beeld!” “En lachen hé!”
Ik lach… ongegeneerd. Da mag, vind ik, wel. Ik presenteer de kinderen mijn stralendste lach. Omdat ik het zo grappig vind, zo koddig kleinmenselijk. Maar ook een beetje in de hoop die arme modellen-voor- één-dag te ontspannen met mijn relativerende aanwezigheid. Wat uiteraard zelden lukt. Ze haten die kleren. Ze haten stilstaan. Ze haten het moeten lachen. Ze haten de fotografen. Nou ja… ook zij hebben niet hun beste dag. Dat geleende peperdure toestel doet helemaal niet wat mama wil. En papa weet nog minder hoe hij moet omgaan met die vermaledijde zon in zijn lens en in de ogen van zijn dochter.
Ik heb een geweldige tijd. Tot plots enige zelfreflectie opdoemt in mijn in slaap gewiegde hoofd.
“Moet die van ons eigenlijk ook niet gefotografeerd worden? Moet die ook geen chique kleren hebben voor zijn feest?”
Ik besef tot mijn verbazing dat ik daar gewoon totaal niet heb bij stilgestaan. Het kwam werkelijk nog geen seconde in mijn hoofd op. Dat is toch werkelijk geen houding voor een wakkere papa! Dus vraag ik me af: zit er iemand te wachten op foto’s van mijn oudste zoon in kleren die hij anders nooit draagt, een houding die hij nooit aanneemt, op een plek die vooral volwassenen aanspreekt? Hmmm… misschien de bomma! Maar dat is niet genoeg om mijn zoon én mezelf of zijn mama, aan deze beproevingen te onderwerpen. Case closed. De wakkere papa is weer bijgewerkt. Nog even en mijn tijd in het paradijs zit erop. Nog eentje, nog eentje! Jaah… daar komt er een met zo’n echte ouderwetse witte jurk. Die mag ik nog bekijken!