Onsportieve opa

Het was niet mijn idee om van mijn zonen vurige veldritfans te maken. Eerder dat van hun opa. Ergens had ik gehoopt dat hij eerder zijn voorliefde voor verfijnde humor, gedurfd theater en de betere film zou doorgeven aan zijn kleinzonen. Maar goed … je krijgt wat je krijgt. Ooit zagen mijn jongens veldrijden op televisie. Ze vonden het geweldig. Het wordt ook magistraal in beeld en klank gebracht, moet ik zeggen. En toen opa lucht kreeg van het enthousiasme van zijn kleinzoons ging hij het vuur meer en meer oppoken.
Nu gaat er geen winterse weekenddag voorbij of mijn zonen vragen: “Is er koers geweest?” Ik vind altijd wel een online samenvatting waar ze heel blij mee zijn. Mijn jongens zijn extreem betrokken, op verschillende manieren, voor, tijdens én na de cross. Buiten crossen ze op hun loop- of pedaalfietsen door het gras, de perken en (helaas) het kippenhok. Hoewel dit nergens nodig is, heffen ze af en toe hun fiets op, voor de vorm. Ik verzin dit niet. Ze doen het soms zelfs op weg naar het station, liefst wanneer ik haast wil maken om de trein te halen. Even honderd meter lopen met de fiets … Commentaar geven doen ze ook, tijdens de uitzending, bij hun spel met knikkers, in hun slaap. Soms zelfs wanneer papa fietst met hen achterop … en een sportievere fietser ons voorbij knalt. “Daar gaat van der Poel!”, roepen ze dan. “Oh oh oh! Van Aert gaat erover. Oh nee … het is Van der Haar!”
“Maar van der Poel is wel zwaarder geladen hoor,” puf ik dan. Ik vraag wat mijn jongste zoon wil doen voor zijn verjaardag. Met een paar kindjes, zonder extra kindjes? Thuis, zwemmen, schaatsen, naar de natuur, …
“Is er koers? Ik wil met de kindjes koers kijken!” Freaks …
Eerst dacht ik: “Moet ik dit wel verder stimuleren? Waar gaat dit eindigen?” Maar ik kan er eigenlijk ook vrij weinig tegen in brengen. Sport is ongetwijfeld stichtender dan een deel van het andere aanbod op televisie. Dus kijken ze regelmatig naar een veldrit, of een samenvatting. Ook de ronde van Frankrijk, Spanje of zelfs, godbetert, Groot-Brittannië komen intussen aan bod. En natuurlijk het voetbal, en de olympische én paralympische spelen. Whatever. Als het maar sport is.
Wat is dan eigenlijk het probleem? Wat heb ik tegen deze sportieve interesse van mijn zonen? Het is die opa. Hij stuurt zelfs mij, zijn ex-schoonzoon, soms berichtjes voor zijn kleinzonen, zoals deze: “Gisteren scoorde een Belg in de finale van de Champions League. Carrasco.” Hij zorgt er ook voor dat mijn kinderen perfect weten welke derderangs wielerwedstrijd er tijdens mijn dagen met hen op televisie is, zodat zij kunnen zeuren om ernaar te mogen kijken of er op tijd voor thuis te zijn. Ik kan nog amper het huis uit als het van hem/hen afhangt.
En zelfs dat op zich is allemaal niet zo erg. Maar het punt is: opa is zélf niet zodanig geïnteresseerd in sport. Nooit geweest. Je voelt langs alle kanten dat hij die sportmanie gebruikt om de jongens aan zich te binden, en bij hen in het gevlei te komen. Om de leukste grootouder te zijn. En dat is niet nodig. Want de jongens hebben hun opa sowieso graag. Dus waarom dan nog zo manipulatief doen? Wel … ik vind het gewoon niet sportief.


Wie manipuleert jouw kinderen? Vriendjes, oma, mama, de televisie?

Chill = lui

Ik zit met een vriend op een terrasje. Zijn en mijn kinderen spelen in de speeltuin. Daar is – naast een glijbaan, speeltoren, wipplank, draaimolentje én een klimnet – maar één schommel. En dat is blijkbaar genoeg om een gevecht in regel te laten ontstaan. Er wordt gestampt, getrokken en geduwd. Mijn zonen bewerken elkaar, en de zoon en dochter van mijn vriend doen hetzelfde. Het geweld blijft binnen de eigen familie.
“Dit is uitzonderlijk,” zeg ik. “Zo in het openbaar vechten doen ze zelden. Maar thuis wordt er de laatste tijd bijna elke dag wel eens gekrabd of geknepen.
“Ach… dat zijn jongens. Laat ze maar doen. Wij waren met vier broers vroeger. En wij klopten de hele tijd op elkaars smoel,” zegt mijn vriend.
“En stonden jullie ouders dat toe?”
“Nee, dat niet. Wij vlogen naar onze kamer als ze het zagen.“
“Maar jij laat jouw kinderen doen?”
“Och…”
Mijn vraag was eerlijk, want ik heb nog niet de juiste manier gevonden om met dat geweld om te gaan. Helemaal de kop indrukken met gigantische straffen hoeft niet per se voor mij. Ik vind het wel goed dat mijn jongens kennismaken met mild geweld, in de veilige broederband. En het leren goedmaken. Maar ze moeten zich ook leren inhouden. En ze moeten vooral niet denken dat geweld als oplossing normaal of aanvaardbaar is.
“In mijn klassen in het middelbaar worden ook woorden gebruikt die ik liever niet hoor,” zegt mijn vriend. Hij is leerkracht Engels. “Maar goed… dat zijn pubers, hé. Wat doe je eraan?”
Ik denk even na of ik zou uitspreken wat er op het puntje van mijn tong ligt. Want natuurlijk moet je niet met je kinderen naar een psychiater hollen omdat ze een keer fysiek met elkaar in de clinch gaan. En uiteraard is je puber niet meteen abnormaal als hij wel eens een ongepast woord gebruikt – misschien eerder omgekeerd. Maar als we als ouders, leerkrachten en volwassenen helemaal géén signaal geven bij zo’n ongepast gedrag, doen we dan wel onze job?
“Ik vind het lui,” spreek ik toch mijn eerste gedachte maar uit.
“Lui?”
“Ik vind dat we luie ouders zijn als we dat allemaal zomaar laten gebeuren. Vechten? Typisch voor jongens. Blijf maar lekker zitten op je terrasje. Schelden? Normaal voor pubers. Vooral niet reageren. Slurp maar van je drankje. Laat ze doen.”
“Denk je nu niet te veel na?” vraagt mijn vriend.
“Wel… dát is pas een luie uitspraak!” zeg ik lachend.
Maar eigenlijk meen ik het. En nee: ik vind mijn vriend geen slechte ouder. Want hij grijpt natuurlijk ook wel in vanaf een bepaald punt. Maar die stoere, nonchalante houding van ouders die chill blijven en al het gedrag van hun kinderen, hoe ongepast ook, relativeren om wat voor reden dan ook… Dat wil ik best nog eens herhalen: ik vind het niet chill. Ik noem het lui.

De Wakkere Papa


Ben jij een chille ouder? Heb je soms geen zin om je kinderen op te voeden en laat je ze maar doen? Vindt jij de wakkere papa misschien ook… té wakker?

Seksueel misbruik en mijn kinderen

Af en toe wordt nog eens een blik slachtoffers van seksueel misbruik opengetrokken op radio en televisie, in kranten en tijdschriften. Ook in dit nieuwe jaar duiken er nog altijd volwassen mensen van veertig, vijftig en zestig jaar oud op die voor het eerst spreken over hoe ze in hun kinderjaren werden betast, verkracht of op een andere manier misbruikt.
Ik besef dat ik me nogal bot uitdruk. Maar dat is niet uit gebrek aan respect voor de volwassenen die ooit die arme jongens en meisjes waren. Het is om uw aandacht te trekken. Want als wakkere papa hoor ik niet alleen mijn slaap te laten als zoonlief ziek is, gepest wordt, niet wil eten, niet wil slapen, zich verveelt of een nieuwe hobby zoekt. Nee. Ook hierover lig ik wakker. Klaar wakker. En ik zou willen dat we dat heel even met z’n allen doen.
Want dát het gebeurt, is afschuwelijk. Maar dat zoveel mensen er naderhand twintig, dertig, veertig jaar en soms voor eeuwig over zwijgen: dat is een nog afzichtelijker monster. Hoe kan ik zeker zijn dat het over even veel jaren niet de beurt is aan mijn kinderen om eindelijk hun verhaal te doen?
Ik doe alvast mijn best. Soms klopt mijn jongste zomaar tussen de benen van mijn oudste. Recht in de ballen. Of mijn oudste trekt in bad aan de piemel van mijn jongste. En de jongste zegt: “Nee, dat wil ik niet!” Dan ben ik héél gelukkig. Want ik hou er niet van om dit soort gesprekken zonder aanleiding te voeren. Alsof lichamelijkheid, tederheid, seksualiteit … en piemels alleen maar gevaar, pijn en slechtheid betekenen. Die boodschap wil ik niet geven. Maar nu het zich toch voor mijn ogen stelt, kan ik heel losjes de stappenplannen nog eens inpeperen.
“Als iemand iets doet wat je niet wilt, of aan zo’n plek komt, zoals daarjuist aan je piemel, dan mag je altijd stop zeggen. En als die niet stopt?”
Ja! Ik stel voor één keer écht zelf de vraag.
“Naar mama gaan,” zegt de oudste.
“Of papa, of de juf of meester, of oma.”
“En als het oma zelf is?” vraag ik. Sorry moeder.
“Dan moet je het ook aan iemand zeggen.”
“Of 1712 bellen,” zeg ik nog. En waarom wordt dat nummer eigenlijk niet, naar analogie met de zelfdodingslijn 1813, genoemd na elk nieuwsbericht over seksueel misbruik? Is dat nu eigenlijk niet iets waar wij als verenigde ouders eens over op de tafel willen slaan? Om eens vierkant te gaan staan achter de verplichte vernoeming van dat nummer. Zodat mijn kind, jouw kind en elke volwassene het ként en minder kans loopt om met een verhaal te blijven zitten. Of met een partner met een verborgen verhaal. Of een vader. Ik zeg maar wat.
Ik lees trouwens dat ook daders van seksueel of ander geweld mogen bellen naar 1712. Ja! Ik word bang van het idee dat mensen die seksuele gevoelens hebben in verband met, onder andere, mijn kinderen, daarmee alleen blijven zitten. En ook wie een ander seksueel misbruikt, zie ik liever niet geïsoleerd. Liever hoor ik hen praten met een vrijwilliger, om te beginnen.
Daarom liefste verenigde pers: laat ons dat nummer vanaf nu vermelden na elk artikel of nieuwsbericht over seksueel misbruik. De Bond geeft alvast het goede voorbeeld.
Hebt u vragen over geweld of seksueel misbruik of wil je anoniem je verhaal kwijt? Ben je slachtoffer of dader? Bel 1712 of surf naar 1712.be

Het wonen verbouwd

“Kan je voor de Wakkere Papa iets schrijven over wonen of verbouwen? Dat is ons thema voor deze editie”, klonk de vraag vanuit de redactie. “Wonen? Ja. Dat is wel een thema voor mij.” Mijn twee lieve kinderen groeien op in een birdnesting systeem. Zo schijnt het te heten. Ze bleven na de scheiding van hun ouders simpelweg wonen in het huis waar ze geboren werden. Van zondag tot woensdag woont mama bij hen. Van woensdag tot zondag papa. Papa, dat ben ik. Ik woon dus op twee plekken. Deeltijds bij mijn eigen kinderen, deeltijds bij mijn vriendin en haar kinderen. Ik verhuis twee keer per week, zoals dat voor veel kinderen van gescheiden ouders het geval is. Ik kan je vertellen hoe dat gaat. Ik sleep niets mee. Dat weiger ik. Ik investeer er fors in. In extra kleren, handdoeken, schriftjes, laptops, telefoonladers… Toch staat er altijd een tas klaar met spullen voor mijn andere thuis. Een cadeautje voor mijn zoon, of mijn vriendin, of háár zoon. Een gekregen pak koeken die mijn jongens niet lusten. Een schattig jong uit het nest van het konijn van mijn bonusdochter, bestemd voor mijn jongens. Een zak drollen van het paard van mijn vriendin voor onder de appelboom bij mijn andere thuis. Geoogste appels van die boom de tegenovergestelde richting uit. Je kan je niet voorstellen wat ik met trein en plooifiets vervoer.

Het is zwaar. Altijd die switch in je hoofd maken. Andere gewoontes. Nu eens in het midden van de stad, dan weer in het bos, ver weg van alles. Wel of niet luidop boeren. Spullen laten rondslingeren of niet. Ik noem maar wat.

Je moet altijd alert zijn. Voor je het weet, rijd je op auto­matische piloot naar je verkeerde thuis. “Hé, had ik het licht nu aangelaten?” En dan verschijnt je ex-vrouw voor het raam en sta je daar als een voyeur.

Ook met bibliotheekboeken die dringend ingeleverd moeten worden, is het oppassen geblazen. Of met spullen die je absoluut hier of daar nodig hebt. Met eten dat blijft staan en kan bederven: zonde! Dit half afgewerkte stukje voor de Wakkere Papa moet ik dadelijk nog even op een stick of in een mail plakken. Anders kan ik straks weer opnieuw beginnen als ik thuis kom op die andere plek.

Er is ook een frisse kant aan dit wonen. Zelden slaat de sleur toe. Het constante verhuizen werkt verfrissend. Ik heb weinig of geen behoefte meer aan reizen. Dat scheelt financieel! En ik heb twee levens: eentje in de stad, eentje in het bos. Eentje met luide boeren, eentje zonder.

En wat dat verbouwen betreft. Vroeger was het een constant item tussen mijn ex-vrouw en mij. “Misschien kunnen we die muur eens verven.” “Vind jij die kast in de woonkamer nog passen?” “Ik denk toch nog altijd aan die bijbouw achter de keuken. Zouden we dat toch niet overwegen?”

Tegenwoordig is verbouwen een absoluut non-thema in mijn leven. Over veranderingen in het huis van mijn vriendin beslis ik niet. Ik voer alleen maar uit, soms. En veranderingen aan het gemeenschappelijke huis met mijn ex-vrouw. Wel… daar moeten we het over ééns zijn. Dus geen van ons begint erover, laat staan eráán. En weet je: dat is helemaal oké. Alles is prima zoals het is. Het is vermoeiend, maar ook verfrissend. Neem nu dit stukje: het werd op twee plekken geschreven. Kan jij zeggen achter welk woord of punt ik mijn spullen pakte? Wel… ik ook niet meer.

Autoloze ouder

Mijn kinderen kiezen elke schoolochtend hun vervoersmiddel. Niet dat er een Lamborghini, Ferrari én luxe Mercedes in mijn stal staan waartussen kan gekozen worden. Ik heb namelijk helemaal géén auto. Dus twijfelen mijn kinderen tussen te voet, per step, met de fiets of op de loopfiets. Als het regent, kunnen ze in de bakfiets of de fietskar. Moeten we niet naar school maar iets verder weg, dan nemen we de fiets waar
achterop een zitje voor twee kinderen is gemonteerd. Niet te koop in ons land, maar oh zo handig!
Het lijkt een grap, maar ik heb die dingen echt wel allemaal nodig. Voor verplaatsingen met de trein of bus zijn de loopfietsjes ideaal. Het zijn ultralichte aluminium topmodellen waar de kinderen duizelingwekkende snelheden mee halen. Je neemt ze gemakkelijk overal mee, en je raakt vlot van aan het station op je bestemming. Mijn jongens kunnen met hun loopfiets in de handen, gemakkelijk trein, bus én roltrap op en af. Nog in mijn stal, voor als de bestemming een eind van het station verwijderd is: twee kinderplooifietsen! Ook al nérgens in de handel verkrijgbaar. Ik speurde het internet er meermaals voor af en vroeg het in elke fietsenwinkel. Tot ik mijn fiets na herstelling oppikte bij het fietspunt in de buurt en daar iets zag staan. “Wat is dat?”, vroeg ik. “Oh, dat zijn plooifietskes voor kinderen, denk ik.” “Hoeveel?” “Tien euro per stuk?” “Wat?!” “Ja zeg… Gratis geven we ze ook niet, hé!” “Neenee! Ik ben superblij! Pak ze maar in!”
En zo verzamel ik voor elk weertype en elke bestemming hét geknipte vervoersmiddel. Mijn stal puilt uit, maar meer dan tweeduizend euro over tien jaar besteedde ik er niet aan, verzekering, taxen en reparaties inclusief! En mijn kinderen houden van de afwisseling. Grote boodschappen? Bakfiets! Iets ophalen in een winkel verder weg? Fietskar of de duofiets. Het meest populair tegenwoordig bij hen? Eén van hen op de fietsstoel, de ander op een eigen fiets. En op de terugweg wisselen ze van plaats. Gewoon even het zadel omhoog of omlaag, en klaar is kees!
Toch blijft het soms zoeken om Koning Auto te vervangen. Want niet alle evenementen en organisaties voor kinderen denken eraan dat sommige ouders geen vierwieler hebben. Voor zijn hobby moet mijn oudste zoon volgende week naar een afgelegen plek in het bos. Er is een bushalte, maar die wordt op zondag armzalig bediend. Het is winter, dus het hele eind met de fiets is niet echt een optie. In het dichtstbijzijnde station komt de trein aan op totaal verkeerde uren voor deze activiteit. We moeten uiteraard heen én terug. En ik heb dan ook nog eens mijn andere zoon, die niet naar de activiteit gaat.
Ik duw het nog even voor me uit, maar ik weet dat ik zal moeten rondbellen of iemand mijn zoon kan meenemen. Terwijl ik op dat vlak nooit iets terug kan doen. Want mensen sturen hun kind niet mee met mij, met de bus, naar plekken waar ik wél gemakkelijk raak. Vervelend dus.
“Hey. Met de mama van Jasper”, gaat de telefoon. “Ik dacht: dat is toch niet zo’n gemakkelijke plek om zonder auto te raken, nu zondag. Wil jouw oudste misschien meerijden met ons?” “Oh… dat zou fijn zijn!” Ik krijg er tranen van in mijn ogen. Want het is zo lief. Ik hoor aan de stem van deze mama dat ze begrijpt dat ik het lastig vind om dit te vragen. Dus belt ze me zelf en stelt het voor. Dit maakt voor mij, autoloze ouder, écht een wereld van verschil. Méér van dat!

Zwaar gokken met straf

Ik zit op de bus. Zonder kinderen. Mijn jongens zijn bij hun mama. Papa hoeft nu nergens aan te denken, zelfs niet aan op tijd komen. Dus suf ik. Ik zak wat dieper weg. Ik kan niet goed niets doen. Maar op de bus blijft er niets anders over. Zeker als je snel misselijk wordt, zoals ik. Nou ja … zonder mijn jongens hoef ik gelukkig ook niet op de achterste bank te gaan zitten. Hop: vooruit kijken maar!
Een koppel mét kinderen stapt de bus op. Zoontje van acht, dochter van drie, zoiets. Dochter zit in de buggy. Papa tilt haar eruit. Maar dat gaat niet lang goed. Papa kan niet tegen het gewriemel. Misschien wordt hij ook snel misselijk. Dan mama maar. Het meisje blijft wriemelen. Mama begint rood aan te lopen. “Als je nu niet stil zit, vlieg je in de buggy!”De hele bus kijkt. Ik ook. Leuk schouwspel. Lekker herkenbaar: ik heb óók een heel beweeglijk kind. Het meisje zit nog niet stil. Ze graait met haar kleine vingers naar de haren van haar broer op de zetel naast haar mama’s schoot.
“Je gaat een tik krijgen, hé!”
Voetbal in beeld vind ik altijd saai. Te weinig beweging. Maar op de radio kan het subliem zijn. En wat zou ik graag de live radioverslaggeving doen van deze situatie op de bus. Pittig duel tussen moeder en dochter. Wie neemt de bovenhand?
“Je vliegt in de buggy hé!”
Maar ze vliegt niet. Ze wriemelt.
“Mama! Ik wil in de buggy!”
“Dat gaat niet! We zitten op de bus.”
Heerlijk, die wending! Dochter neemt de aanval compleet over. Als je je dreigementen niet hard maakt, heb je als ouder sowieso een probleem. Dat meisje had al lang in de buggy moeten zitten. Maar als je kind dan het dreigement ombuigt in een verzoek, ben je helemaal verloren! Ik weet het, want ik maakte het al mee met mijn jongens.
“Kijk jongens. Als jullie je zo gaan gedragen, kunnen we beter naar huis gaan.”
“Maar wij wíllen ook naar huis.”
Ai … vaak is het inderdaad papa die erop staat, terecht of niet, ergens te blijven. Dus dreigen met ‘naar huis gaan’ als straf is dan … zwaar gokken. Ook op de bus hangt mama in de touwen. Maar kijk: ze slaat hard terug.
“Nog één kik en ik gooi je van de bus!”
Alle medereizigers houden hun adem in. De chauffeur sjeest onverstoorbaar verder.
“… terwijl hij rijdt!”
Knock out! En neen, ik verzin dit niet. Eindelijk zit het meisje stil, misschien wel voor de rest van haar leven, och arme. Maar voor mij net op tijd. Want de volgende halte moet ik eraf. Ik rol misselijk de bus uit. Toch beter braaf voor me uit blijven kijken …

 

Gebruik jij als ouder vaak dreigementen? En keren die zich soms tegen jou? We lezen jouw live verslaggeving graag hieronder.

 

Is opa nu al dood?

“Zo. Dat was het dan. Dag huis, dag stad.” Mijn vaders stem beeft. Hij zit voor me in de auto. Mijn zus zit aan het stuur. Ik leg mijn handen op mijn vaders magere schouders. Hij hoest. Elke aanraking is er een te veel. Het is middag. Normaal rolt hij pas laat in de avond uit zijn bed, op zoek naar zijn eerste fles wijn.Het is al maanden bezig. Telkens wanneer ik op bezoek wilde komen, kwam het niet uit. Hij was moe of ziek of nog niet op. Ik was bereid erg laat te komen. Eén keer zat ik op de bus met de kinderen om zeven uur ‘s avonds. We konden afstappen bij zijn appartement. Ik liet mijn jongste zoon bellen.
“Opa. Wij komen op bezoek!”
Nee dus. Opa vond het te vroeg. Maar later is bedtijd voor mijn jongens.
“Gaan we niet naar opa?”
“Nee… Opa is een dikke sukkelaar. Hij weet écht niet wat hij mist met twee zulke prachtige kleinkinderen.”
Een week geleden belden mijn zus en ik elkaar op. We hadden hem allebei opgezocht, in die stad ver van ons vandaan. Hij kroop naar de deur, in zijn onderbroek, met een blauw oog en de sporen van een val in zijn badkamer. Dus dat was dat: we zochten een plek voor hem, dichtbij het huis van mijn zus. Zodat tenminste iemand regelmatig zou kunnen checken of hij niet dood lag te bloeden. En daar rijden we nu naartoe.
Ik streel nog even over mijn vaders schouders en neem mijn telefoon. Een bericht naar mijn zoontjes. Ze hoorden me bellen met mijn zus, vorige week.
“Gaat opa dood?” vroegen ze me, zodra ik de telefoon had neergelegd. Mijn zonen kennen mij goed, en ze zijn allebei zeer opmerkzaam. Ze wisten onmiddellijk dat het telefoongesprek met mijn zus er niet zómaar een was. Ik ben geen voorstander van geheimen. Ik geloof dat de waarheid voor kinderen minder schadelijk is dan hun eigen fantasie op basis van wat ze hier hadden gehoord. Dus vertelde ik hen… vrij veel. Meer dan ik opnieuw zou doen. Daarom wisten ze afgelopen week dat opa in gevaar was. Dat hij de hele tijd viel. Dat we bang waren elke keer als hij weer een dag lang niet op een sms antwoordde. En sindsdien vroegen zij het meermaals per dag.
“Is opa nú aan het sterven?”
“Ligt hij misschien op de grond te bloeden?”
In het vervolg voer ik dit soort telefoongesprekken buiten hun gehoor. Of als ze slapen. Dan hoeven ze niet ongerust te zijn over iets waar ze zelf toch niets aan kunnen doen. En de waarheid dan? Die mogen ze gerust weten, eens de crisis is bezworen. Nu, bijvoorbeeld. Ik typ een sms naar mijn ex-vrouw, want daar zijn mijn jongens: “Opa is op weg naar een huisje dichtbij jullie tante. Zij zal heel goed op hem passen. Hij is nu niet meer in gevaar.”

Vertelde jij ooit te veel aan je kinderen? Of te weinig? Hoe ga jij om met dat soort ‘gevoelige’ onderwerpen?