Een gat in de dijk: bodemloos verdriet

In de school van mijn kinderen gaan de ouders ’s morgens mee tot bij de klas. Daar sta ik bij mijn oudste zoon. Eerste leerjaar intussen. Hij aarzelt even.
“Ik wil niet dat je weggaat, papa.”
“…”
“Ik wil dat je straks naar huis komt.”
“Mama komt je halen.”
“Maar jij moet ook komen. Als je klaar bent moet je naar huis komen.”
Ik ben klaar als de school uit is. Maar in de regeling tussen mij en mijn ex-vrouw is de woensdag voor haar. Of voor mij. Het hangt er maar vanaf hoe je het bekijkt. Zij heeft de kinderen.
“Jij moet ook komen, papa. Ik wil jullie allebei. Het duurt te lang.”
Zijn stem breekt. Mijn hart … ook. Ik vrees wat er nu komt. Ik ben niet bang voor het verdriet. Hij mag wenen. Ik ben blij dat hij weent. Misschien heeft hij nu pas begrepen dat de scheiding tussen zijn ouders niet tijdelijk is, maar definitief. Een onveranderlijk gegeven in zijn leven. Misschien komt het verdriet nu, in deze periode, vrij bij hem. Gisteren huilde hij meer dan een uur onbedaarlijk, ontroostbaar. Zoals baby’s kunnen huilen. Dan rennen we op ze toe. We voelen dat dat moet. Ze zijn overgeleverd aan de meest rauwe, onbegrijpelijke pijn. Het diepste verdriet. Baby’s hebben alleen die diepte. Er is nog niets anders.
Mijn zoon is daar ook. Hij huilt en kan niet stoppen. Hij kijkt niet meer. Hij is ergens diep vanbinnen. Tranen en verdriet stromen niet te stoppen door een gat in de dijk van zijn beheerste persoontje. Het voelt bodemloos. Er is geen einde aan. Zo was het gisteren ook, en eergisteren.
Maar de juf wacht binnen. Alle andere ouders zijn al vertrokken. En ik heb een belangrijke vergadering. Ik krijg de dijk niet hersteld. Hij ook niet. Ik laat hem achter bij de juf. Het scheurt mijn hart helemaal open. De hele dag komen er tranen om … alles. Een vriendelijke winkelbediende: een krop. Een luide vrachtwagen: tranen.
“Zo laat ik mijn kind nooit nog achter,” denk ik.
Maar enkele dagen later herhaalt de situatie zich. Er is gewoon zoveel verdriet. Het komt verschillende keren per dag in vloedgolven vrij. En het is dieper en echter dan wat dan ook. Maar ik moet ook écht weg. En hij moet even naar een vriendje. Ik wil hem zo niet achterlaten. Niet weer. Dus probeer ik het gat in de dijk te dichten.
“Je mag altijd wenen. Je mag verdrietig zijn. En ik maak tijd voor je,” zeg ik. “Maar nu gaat dat niet. Ik wil je niet zo achterlaten.”
Hij huilt. Ik praat. Ik roep, in een vertwijfelde poging om tot hem door te dringen. Ik dreig zelfs met straf. Ik kan het niet geloven: ik dreig met straf omdat hij weent. Ik, die zo tegen opkroppen ben. Maar ik wil hem zo niet achterlaten. Ik probeer iets anders. Ik neem zijn hoofd stevig in mijn handen. Ik praat nu rustig. Bij elke snik zeg ik: “gebruik die snik om terug te komen. Ga niet meer dieper in je verdriet.” We gooien zijn verdriet niet in een kerker.
“Je mag verdrietig zijn. Maar leg het nu even in een bedje en stop het toe.”
Langzaam, tergend langzaam terwijl de klok tikt, krijgt ik vat op mijn zoon, en hij op zijn verdriet. Samen dichten we het gat in de dijk. Hij kijkt terug helder, lacht. Dan komt er weer een snik. Hij dreigt terug overspoeld te worden. We ademen samen. Elke snik wordt een manier om het verdriet los te laten. We ontspannen. We werken een hele tijd samen. En dan begint hij plots te giechelen.

De Wakkere Papa

Laat jij je kind achter als het weent? En als het echt bodemloos verdriet is? Hoe pak jij dat aan? En hoe voel je je daarbij?

Fotoshoot in het paradijs

Heerlijk roze van Japanse kersenbloesems overal rondom me. Onbegrijpelijk diep blauw van de oneindig wolkeloze lucht boven me. Een gouden schittering in het zonovergoten meertje. Een waterval klatert. De vogels fluiten. En ik zit in het paradijs met nét te weinig tijd om ergens anders iets nuttigs te kunnen gaan doen. Jammer :)
Dus laat ik even mijn voeten in het water zakken, sluit mijn ogen en voel het koele water en de vriendelijk warme lentezon. Hier wordt iedereen toch dolgelukkig van! Het is te zeggen… Iedereen behalve die zenuwachtige mevrouw die zonder aarzeling, vraag of aankondiging mijn tas opzijschuift. Ze posteert zich op de vrijgekomen plaats, fototoestel in de aanslag. Ik volg de richting van haar lens. En daar staat hij, haar trotse zoon. Eerste leerjaar schat ik. Tijd voor een feestje. Nu ja… trots? Hij ziet er niet zo blij uit.
“Mama… die trui prikt.”
“Ja jongen… nog even. Ik krijg die flash niet af.”
Fotoshoots met de feestkinderen. Ook daarvoor is het de tijd van het jaar. En de perfecte plaats. Jammer? Nee hoor! Ik hou evenveel van mensen als van natuur. En humor kan ik ook wel smaken. Want het is natuurlijk pure slapstick. Jongens en meisjes stappen stijf over de paden, compleet overgeconcentreerd door de zondvloed aan aandachtspunten en bevelen. “Maak je kleren niet vuil!” “Daar! Nee, meer naar links!” “Maar … kijk nu eens deze kant op!” “Wacht, daar komt een mevrouw! Laat ze door. Die staat in beeld!” “En lachen hé!”
Ik lach… ongegeneerd. Da mag, vind ik, wel. Ik presenteer de kinderen mijn stralendste lach. Omdat ik het zo grappig vind, zo koddig kleinmenselijk. Maar ook een beetje in de hoop die arme modellen-voor- één-dag te ontspannen met mijn relativerende aanwezigheid. Wat uiteraard zelden lukt. Ze haten die kleren. Ze haten stilstaan. Ze haten het moeten lachen. Ze haten de fotografen. Nou ja… ook zij hebben niet hun beste dag. Dat geleende peperdure toestel doet helemaal niet wat mama wil. En papa weet nog minder hoe hij moet omgaan met die vermaledijde zon in zijn lens en in de ogen van zijn dochter.
Ik heb een geweldige tijd. Tot plots enige zelfreflectie opdoemt in mijn in slaap gewiegde hoofd.
“Moet die van ons eigenlijk ook niet gefotografeerd worden? Moet die ook geen chique kleren hebben voor zijn feest?”
Ik besef tot mijn verbazing dat ik daar gewoon totaal niet heb bij stilgestaan. Het kwam werkelijk nog geen seconde in mijn hoofd op. Dat is toch werkelijk geen houding voor een wakkere papa! Dus vraag ik me af: zit er iemand te wachten op foto’s van mijn oudste zoon in kleren die hij anders nooit draagt, een houding die hij nooit aanneemt, op een plek die vooral volwassenen aanspreekt? Hmmm… misschien de bomma! Maar dat is niet genoeg om mijn zoon én mezelf of zijn mama, aan deze beproevingen te onderwerpen. Case closed. De wakkere papa is weer bijgewerkt. Nog even en mijn tijd in het paradijs zit erop. Nog eentje, nog eentje! Jaah… daar komt er een met zo’n echte ouderwetse witte jurk. Die mag ik nog bekijken!

Verboden te scheiden

‘De wakkere papa is boos op iedereen’. De publicatie van dat stukje zorgde een tijd geleden, naar mijn bescheiden normen, voor een lawine aan reacties op de blog. Ik besluit nog een keer terug te komen op het thema ‘scheiden doet lijden’. Want mensen reageren als ze iets herkennen. Zijn we dan allemaal boos … op iedereen?
Toen mijn ouders dertig jaar geleden scheidden, kreeg mijn moeder voor een volle kerk een veeg uit de pan van de pastoor. De priemende blikken van haar geloofsgenoten tergden haar week na week, tot ze uiteindelijk weg bleef. Misschien was dat de bedoeling. Geen zondaars onder ons. Er was geen keuze: gij zult (ge)trouw(d) zijn!
Daar moeten we voor mij niet naar terug. We hebben het recht om te scheiden, en dat is goed. Maar elk recht eindigt ergens. Recht op voeding betekent niet dat mijn zoontjes de chocoladetrommel in een keer naar binnen mogen schransen. Het symbool van rechtvaardigheid is niet voor niets … een weegschaal. Wat zit er aan de andere kant? Is het recht op scheiden in evenwicht met het recht op ouders, of op ouderschap?
Oh ja… alles is tegenwoordig perfect in balans: co-ouderschap. Weekje mama, weekje papa. Helemaal eerlijk. De minst slechte oplossing. Maar hebben we de alarmkreten van kinderen, onderzoeken en waarschuwingen van specialisten niet gehoord?
Scheiding heeft een grote invloed op elk kind: op welbevinden, studieresultaten en op de slaagkansen van een eventueel eigen huwelijk later. Toch scheiden in mijn omgeving zo ongeveer alle ouders. Dus vraag ik aan mijn ex-vrouw: “Heb je de andere kant van de weegschaal al bekeken? Nagedacht over het hele plaatje? Niet alleen vandaag, maar ook morgen?” Zij zegt: “Ik moet mijn gevoel volgen.” Dat te volgen gevoel hoor ik ook bij andere scheidenden. Het lijkt even dwingend als een Goddelijk gebod. Het is bijna zondig om dat gevoel in vraag te stellen. Je moet de ander zijn/haar eigen weg laten gaan. Dat moet je respecteren. Gij zult scheiden!
Ik heb er absoluut wél moeite mee. Ik stel de vraag niet langer aan mijn ex-vrouw, maar aan ons allemaal: vinden we het eigenlijk wel zo geweldig dat de meerderheid van de kinderen opgroeit met gescheiden ouders, in andere gezinsstructuren, complexe families en verschillende woningen? Mogen we kritisch kijken naar de maatschappelijke kost aan extra kinderopvang, grotere sociale woningen en psychische hulpverlening? Naar de emotionele kost aan verloren mama- of papatijd, gebroken familiale netwerken en thuisloze jongeren?
Natuurlijk is mijn boosheid persoonlijk gekleurd. Ik wilde niet scheiden. En ook als kind had ik liever verbinding tussen mijn ouders gevoeld. Dus heb ik een vooroordeel tegen scheiding. Dat is waar. Maar ik mag toch ook kritisch kijken? Vinden wij de huidige situatie het beste voor onze kinderen? En zoniet: hoe maken we de wereld beter?

De Wakkere Papa

Leren in een glazen bokaaltje

Een nieuwsbrief van de school onder mijn neus.
“Kijk papa! Thema boerderij!”
Ik lees. “Wie heeft boekjes, voorwerpen… of wil iets komen vertellen over de boerderij?” Wij hebben een moestuin, twee konijnen, vijf kippen. ’s Nachts een egel, vleermuis én muizen. En de buurman heeft een geitje. Doodnormaal in een dorp, maar iets minder voorkomend in de stad waar wij wonen. Laat staan in dezelfde straat als de school.
Dus nodigen we de juf en de klas uit voor een bezoekje. We kunnen wat werktuigen tonen, diertjes aaien, groentjes oogsten, een brood bakken (in de broodmachine)… Misschien krijg ik ze zelfs zover om het kippenhok uit te mesten! Maar helaas…
“Oei… dat wordt moeilijk. Wij mogen de school niet meer verlaten zonder extra begeleiding. En die moeten we minstens een week vooraf aanvragen”, zegt de juf.
“Oh… maar wij wonen daar”, wijs ik. Je kan de kippen horen kakelen tot op de speelplaats, als de wind goed zit.
“Weet je…”, de juf gaat een beetje zachter praten. “Enkele jaren geleden was het vierde leerjaar op weg naar de bibliotheek. Ook maar twee straten wandelen. Een meisje raakte van de stoep af. Een fietser botste op haar en ze brak haar been. Mama boos. Rechtzaak. Dat was moeilijk voor de directrice. Veel gedoe. Veel zorgen. Veel geld. Sindsdien is hier veel veranderd. We willen nu écht wel in orde zijn met alles.”
En dus leert de klas van onze oudste een week over de boerderij uit boekjes en vanop het internet. Zonder een geit te hebben geroken, of een konijn te hebben gestreeld. Zonder onze radijsjes te hebben geproefd. En zonder ons kippenhok uitgemest te hebben. Jammer maar helaas, zou ik normaal zeggen, en overgaan naar de orde van de dag.
Maar het stoort me. Want de school wil niet zozeer een volgende ongeluk vermijden. Ze willen ervoor zorgen dat ze bij een volgend ongeluk juridisch nergens op te pakken zijn. Het gevolg in de praktijk is: minder uitstapjes. Minder contact met de echte wereld. Leren in een glazen bokaaltje.
En dat wil ik niet voor mijn kinderen. Ik fantaseer over heldhaftige acties om de school en haar leerkrachten te sensibiliseren. Misschien kan ik mijn kippen op de speelplaats loslaten, of de inhoud van hun hok. Of ik ontvoer de klas naar ons huis voor het thema boerderij.
Maar misschien kan ik beter beginnen met mijn collega-ouders. Het voorlopig beste plan: een knokploeg, die onmiddellijk opgetrommeld kan worden om de eerste ouder met juridische plannen tegen de school, vriendelijk maar kordaat te wijzen op nadelen en gevolgen. Niet in de eerste plaats om de school te beschermen. En ook niet om ons te bemoeien met andermans zaken. Maar om ons kroost te vrijwaren van een nog sterielere glazen bokaal als leeromgeving. Kandidaat knokkers?

De Wakkere Papa

Jong geleerd, oud geworden

“Ik heb een contractje!” zegt mijn vijfjarige zoon.
“Oh… was is dat?” vraag ik.
“Een contractje is als je iets af moet hebben op het einde van de week.”
“Oh…”
“En dan krijg je een stempel!”
“Aha!”
We praten verder over het contractje. Het gaat om een aantal activiteiten die tot het leven van een kleuter behoren. Een puzzel, een schilderwerk, een letter nabootsen, tekeningen met kleuren verbinden… The usual suspects, dus. Ook vroeger waren er activiteiten die ieder kind in de klas moest doen. Nu heeft dat een naam: ‘een contractje’. En de kleuters kiezen zelf wanneer ze hun contract uitvoeren. Als ze maar klaar zijn tegen het einde van de week.
“Maar ik ben al klaar na de eerste dag!” zegt mijn zoon trots.
“Oh…”
“Ja! Ik ben als eerste klaar! Dat is beter! Eerst de dingen die moeten. Dan kan je daarna doen wat je wil!”
Ik zwijg. Mijn gedachten dwalen af naar mijn nonkel Mark. Altijd hard gewerkt. Altijd eerst de dingen die moesten. Hij bouwde een buiten­verblijf met zwembad, en telde af tot de dag van zijn pensioen. Luttele weken voor die dag begaf zijn hart het. Alles wat hij in zijn leven moest doen, had hij afgehandeld. Doen wat hij zelf graag wilde, zal voor een ander leven zijn.
Mijn kleuterzoon is de hele week in zijn nopjes met zijn nieuwe status van contractjesarbeider. Ik vind het ook prima. Maar contract is contract. Dus als het tegen het einde van de week af moet, waarom moeten kinderen die alles snel-snel op dag 1 afwerken dan extra geprezen worden? Ik besluit er niet verder over te piekeren. Ik accepteer voorlopig dat mijn zoon een strever is.
“Papa…”, zegt mijn zoon, een week later. “Vandaag mochten we niet aan ons contractje werken van de juf!”
“Aha!” zeg ik
“Het was veel te lekker weer! Wij hebben de hele tijd buiten gespeeld. En morgen gaat het regenen! Dan hebben we toch nog tijd genoeg voor ons contractje!”
“Ahaaaaa!” zeg ik.
Soms zou ik de juf willen zoenen!

De Wakkere Papa

Lachen als harnas

“Papa! Kom gauw!”
Mijn oudste zoon. Als het van hem afhangt, moet ik altijd gauw komen. Maar het water kookt nu, en ik wil er eerst de rijst in.
“Er is een bal op straat gevlogen.”
“Ok … ik kom over een minuutje. Niet zelf gaan halen hoor.”
“Maar papa …”
“Ja?!”
“Die bal vloog tegen een mevrouw. En die ligt op de grond.”
Ik draai mijn vuur uit en vlieg naar buiten. De mevrouw herken ik meteen. Ze heeft een evenwichtsstoornis en rijdt normaalgezien met een grote driewieler. Vandaag niet dus, helaas voor haar.
“Gaat het mevrouw?”
“Mijn heup … mijn nieuwe heup”, klaagt ze.
“Jongens … waar zijn jullie?”, roep ik. De grote ongevallen gebeuren op dit soort momenten, wanneer het kleine ongeval iedereen afleidt. Maar mijn zoon en zijn vriendje zijn nergens te bespeuren.
“Dit soort dingen gebeurt trouwens alleen maar als dat vriendje er is”, bedenk ik nog, terwijl ik de vrouw weer veilig op de been krijg met de hulp van een voorbijganger. Ik stel haar gerust. We hebben een familiale verzekering en ik verklaar schriftelijk dat ze gevallen is door een bal uit mijn tuin. De vrouw vervolgt haar weg, mankend naast de fiets. Terwijl ik haar nog wat bezorgd nakijk, hoor ik de schommel piepen.
“Dag jongens”, zeg ik.
“Hallo … is er iets gebeurd?”, grijnst het vriendje. Ook mijn eigen zoon zit heimelijk te lachen.
Wat krijgen we nu?! Ik word gegrepen door een wilde razernij. Ik stop de schommel en wil luid beginnen roepen. Dan aarzel ik. Ik herinner me iets. Een vriend vertelde me pas dat hij in ongemakkelijke situaties altijd begint te lachen. En dat dit de situatie zelden gemakkelijker maakt.
“Zijn jullie bang dat ik heel boos zal zijn. Over die bal”, zeg ik rustig.
De twee grijnzen verstarren. Raak!
“Maar wij speelden gewoon. Die bal vloog over het hek en toen schrok die mevrouw. Ze viel zélf van haar fiets.”
“Ok … het is heel goed dat jullie mij komen halen zijn.”
Stilte.
“Zijn jullie je daarna hier komen verstoppen, omdat jullie niet wisten wat jullie moesten doen?”
Geen antwoord.
“Als er nog eens zoiets gebeurt, mogen jullie niet weg lopen. Misschien had ik jullie nodig. Om te helpen, de telefoon te halen of …”
Ze halen hun schouders op. Maar ik zie tranen blinken in de ogen van het vriendje.
“Alles lijkt in orde met de mevrouw. Ze is vooral geschrokken”, zeg ik.
“Het was niet onze schuld hoor”, zegt mijn zoon.
“Nee, dat zei de mevrouw ook.”
We lopen naar de keuken. Ik leg hen rustig maar kordaat uit dat ik denk dat ze lachten uit zenuwachtigheid. Omdat ze bang waren de schuld te krijgen. Lachen als een soort harnas van onkwetsbaarheid, eigenlijk.
“Probeer in het vervolg iets anders te doen dan lachen. Bijna dacht ik dat jullie het grappig vonden dat die mevrouw is gevallen. En dan was het minder goed met jullie afgelopen!”, grom ik.
Dan zet ik mijn fornuis weer aan.

De Wakkere Papa

Deeltijdse roeping

We proberen te scheiden. Dat wil zeggen: we verdelen wat we samen hadden, over de twee niet verbonden personen aan de tafel. Zij krijgt de laptop, ik het bed. Er is geen enkele discussie. We zijn geen van beiden erg gehecht aan spullen. Wil jij het servies? Ik wil die plant wel. Een onverwacht voordeel van onze in kringwinkels en op rommelmarkten bijeengezochte inboedel: bedragen zijn verwaarloosbaar. Dus kijken we alleen naar het emotionele. En we zijn mild voor elkaar. Neem jij dat maar. Jij hebt er meer aan dan ik.
Het huis hoeven we niet te verdelen. De kinderen blijven er wonen. En wij verhuizen twee keer per week. Over het gezamenlijk besturen van huishouden met mijn ex-vrouw vertel ik u liever… een andere keer. Maar voor de verdeling was het huis dus geen probleem!
En de kinderen? Jij de jongste, ik de oudste? Waarom eigenlijk niet? Nee dus. “Het meest logische is elk een week, zo is het normaal,” zegt zij. “Normaal,” zeg ik, “was tot een tijd geleden dat de kinderen sowieso bij de moeder bleven.” “Ook goed,” zegt zij.
Maar dat is een leugen. Want zo wil zij het helemaal niet. En net daarom is het in ons huwelijk nooit zo geweest. Ik nam het grootste deel van de zorg voor de kinderen op mij. Zij stortte een hoger maandelijks bedrag op onze rekening. Omdat ik het belangrijk, aangenaam en boeiend vond om voor onze kinderen te zorgen. Omdat zij het belangrijk, uitdagend en voedend vond om buitenshuis te werken.
Op dit moment woont telkens een van ons een halve week bij de kinderen. Papa van zondagochtend tot woensdagmiddag. Mama van woensdagmiddag tot zondagochtend. Zo staat het in het ontwerp voor ons scheidingscontract. Ik wil alles uit mijn vaderschap halen tijdens die dagen. Daar houd ik rekening mee bij de keuze van mijn werk. Maandag en dinsdag werk ik van thuis uit. Voor een onzeker en allerminst riant inkomen. Maar dat weegt absoluut niet op. Voor de andere dagen probeer ik opdrachten te vinden waarvoor ik niet beschikbaar moet zijn op maandag of dinsdag. De mama past haar werkschema, laat staan haar jobkeuze, veel minder aan de situatie aan. Natuurlijk niet… Zij heeft geen behoefte aan zoveel contactmomenten met haar kinderen. Nooit gehad. Voor mij is een halve week veel te weinig, voor haar eigenlijk te veel.
De oplossing lijkt eenvoudig. Net als bij de inboedel: “Jij hebt er meer aan, ik hoef het niet per se.” Dus verdelen we het zoals het altijd was. Papa meer tijd bij de kinderen dan mama, op een of andere manier. Maar zo gebeurt het dus niet. Mama lost het zélf wel op. Grootouders, vrienden, babysits en naschoolse opvang zien mijn kinderen nu een heel stuk vaker dan vroeger. Papa veel minder, en mama ongeveer even vaak. Voor mij voelt het onrechtvaardig, maar wie ben ik vandaag nog…
Dus weet ik niet wat ik moet doen. Naar de rechter met onze scheiding voor dit ene, fundamentele punt? Ik heb minder geld voor een advocaat, dus loop ik het risico te verliezen. Niet alleen geld, maar ook mijn kinderen. Je weet nooit waar je eindigt, eens je begint. Daar ken ik persoonlijk genoeg voorbeelden van. Dus zwijg ik en slik ik, en slik om het onrecht. Ik voel me als een ten onrechte van dopinggebruik beschuldigde en geschorste atleet. Het vaderschap is wat ik wil en kan, wat me boeit. Het is mijn topsport! Maar ik sta dus deeltijds aan de kant.

De Wakkere Papa