De binnenkant van ieders bubbel

Ik zit in de tuin met mijn twee kinderen. De zon schijnt en de ene na de andere bloem kleurt en geurt. Elke bloem maakt ons extra lang blij. Want de tijd staat stil en niemand lijkt te weten voor hoe lang. De jongens houden samen onze reuzegrote parasol in bedwang, terwijl ik bovenaan een jaren geleden geknapt touw vervang.
“Waarom moet dat touw hier hangen, jongens?” vraag ik.
“Oh nee … weer papa-school,” kermen zij. Maar hun hun hersenen draaien al. Als ik nog even treuzel met dat knoopje, begrijpen ze de eenvoudige mechaniek van onze parasol. Elke klus krijgt een leerrijk kantje. De jarenlange opeenstapeling van defecte apparaten, krakende klinken en slepende deuren brengt vrolijke zin in onze dagen thuis. De kinderen verblijven afwisselend drie en een halve dag bij mama en bij papa. Dat is nu een groot voordeel. Het geeft structuur en afwisseling, voor ouder en kind.
Dit is een tijd van gezinnen. Nooit eerder zag ik zoveel verwanten ontspannen op straat. Moeders en dochters, arm in arm. Vaders met tienerkinderen in de natuur. Hele families op berenjacht. Er gebeurt veel samen. Het is gemakkelijk om elkaar aan te spreken, want we zijn allemaal met dezelfde dingen bezig. Of toch niet? Een bevriend gezin wandelt langs onze tuin. De kinderen op de step en rolschaatsen. Een plaatje. Zo denk ik, vanuit mijn onbezorgde bubbel. “Wij hebben het alle vier gehad,” zegt de mama. “Ik was twee weken in het ziekenhuis. Ik ben kapot.” Gisteren belde een oom. Hij verhuisde na zijn scheiding vorig jaar naar een nieuw appartement. Geen tuin of klusjes, geen gesprek. Er is naast veel samen, minstens even veel alleen. Een vriendin doet straattheater. Ze werkt keihard, maar moet haar inkomen aanvullen met shiften in een restaurant. Nu is alles weg. Ook voor haar staat de tijd stil, maar rekeningen blijven komen. En heeft er iemand deze zomer een straatartiest nodig? Er zijn hemelsbrede verschillen tussen al die mensen in hun eigen kot. Het gezin waarin je leeft, bepaalt nu meer dan ooit je leven. Ik denk aan de keiharde financiële cijfers. Het kleine appartementje. Het volle hoofd van de alleenstaande ouder van drie kleuters. Het opgesloten gevoel van jongeren in hun wilde jaren. De pijn van de zieke. Angst en onrust. Het afgesneden zijn van dierbaren. De ruzies. Ik wens gezinnen in minder onbezorgde bubbels moed. Mijn oom aan de telefoon. De theatervriendin met een kaartje. De zestienjarige buurjongen met een knikje. Een kleine druppel, maar we mogen die druppels wél alle kanten op blijven strooien.

De Wakkere Papa

Topwissel

“Volgende week komt mama vroeger naar de wissel, jongens,” vertel ik mijn kinderen van acht en elf. “Gaan we vroeger naar mama?” “Nee… er komt iemand voor papa én mama.” Het huis waarin ik woon, is nog altijd deels eigendom van mijn co-ouder. Ook daarover moeten we samenwerken. “Hoe laat komt mama?” willen ze weten. “Om vijf uur.” “Oh… dan kan ze blijven eten.”
“Dat is goed,” zeg ik na een korte aarzeling. “We nodigen haar uit. Maar ik ben dan druk bezig. Dus jullie koken!” “Pasta met tomatensaus!” danst de oudste. De afspraak verloopt opmerkelijk gemoedelijk. De kinderen zitten te spelen, tot ik hen naar de keuken stuur om te kokkerellen. Hun nabijheid verzacht de zeden. Mama en papa weten ook dat ze zo dadelijk met hun jongens aan tafel gaan. En we hebben geen van beiden zin om dat in een ijzige sfeer te doen. Dus drijft niemand iets op de spits. We komen overeen. Als onze bezoeker vertrekt, is de sfeer zelfs bijna jolig. Terwijl ik het eten afwerk, zit mijn co-ouder in de tuin met haar twee jongens. Mijn jongens. Ik breng hen een schaaltje met gedroogde appeltjes, blauwe bessen en pindanoten. “Net als vroeger,” denk ik geamuseerd, en tot mijn verbazing zonder een spoor van melancholie. Ik weet zeker dat de jongens met volle teugen genieten van deze fata morgana. Vooral mijn jongste, die nog geen drie jaar was toen zijn ouders uit elkaar gingen, heeft amper
herinneringen aan mama en papa samen in dit huis.
Ik twijfel even om een feestelijk drankje te serveren. “Is dat niet een beetje overdreven papa,” zegt mijn oudste als hij het merkt. De jongens dekken de tafel strategisch: mama en papa schuin tegenover elkaar. Ze vertellen hun mama naar hartenlust over de afgelopen dagen bij papa. Er zijn geen onaangename stiltes of slecht vallende opmerkingen. We houden ons allebei aan de duidelijke afspraak: vragen of opmerkingen zijn verboden tijdens de wisselmomenten. En dus ook tijdens een langgerekte, feestelijke eetwissel. “Dit was een topwissel, papa,” fluistert mijn oudste zoon bij het vertrek. De jongste zit aan één stuk door te glunderen. Nooit eerder wuifde ik hen zo ontspannen uit bij een wissel. Ik vraag me af of dit per se een fata morgana moet zijn. Dit kunnen we vaker doen. Het lijkt me heel gezond voor de kinderen om mama en papa nu en dan eens positief en ontspannen samen te zien. Maar wat als er geen excuus is, zoals onze afspraak daarnet? Kan ik haar zomaar uitnodigen? Of nodig ik dan best onze respectievelijke partners mee uit?

De Wakkere Papa

Hier of daar?

Ik zit in de zaal van de kunstacademie. Op het podium is het nacht. Mijn zoon sluipt van links naar rechts, samen met dertig andere kinderen. Ik herken hem niet, maar ik wéét dat hij een kat is en dit liedje meezingt vanuit het duister. Er is slechts één lichtje op het podium, van het meisje met de zwavelstokjes. Het licht op, heel even, net genoeg voor een droom, een dansje, een liedje. Voor en naast me in het publiek een zee van blauwe zwavelstokjes. Er wordt gefilmd. Ik ben nogal snel afgeleid. Ik zie de opvoering van het sprookje uit vervlogen tijden niet meer, maar wel de zaal vol lichtjes. Naast me zit een bevriend koppel ouders. Ze filmen allebei. Heel even schaam ik me dat ik niet aan het filmen ben, want iedereen doet het toch? Maar dan richt ik mijn blik vastberaden op het podium. Iemand heeft beslist over de perfecte liedjes, dansjes, teksten, decor en belichting om dit verhaal gestalte te geven. En mijn zoon doet op dit ogenblik keihard zijn best om helemaal een kat te zijn. Ik schaam me niet meer. Ik vind het zelfs niet respectvol om nu te filmen. Ik scherm mijn ogen af van de lichtjes in de zaal. Ik wil kijken, met al mijn aandacht, al mijn zintuigen gericht op het podium. Hier en nu. “Blijf eens hier”, zeg ik vaak tegen mijn zoon, als hij ’s morgens al vraagt naar ’s avonds. Of tijdens een leuk spelletje bedenkt dat er een of andere derderangs wielerwedstrijd bezig is, waar hij naar zou kunnen kijken. Ik ben niet van de digitale generatie, maar volgens mij kan niemand tegelijk hier en nu, én in de digitale wereld zijn. Afwisselend misschien wel. Maar niet volop. Niet mindful om dat woord te gebruiken.
Je moet kiezen. Wil je de eerste stapjes van je kind filmen? Of wil je erbij zijn? Zet je een lens tussen jou en de wereld? Ben je nu aan het filmen voor later? En later bezig met kijken naar vroeger? Of blijf je hier?
“Vroeger had ik een dagboek”, zegt mijn zus. “Nu film ik. Ik vind dat fijn. Na het filmen ben ik gewoon weer daar. En ’s avonds schrijf ik een tekstje bij elk filmpje.”
Ik knik. Dat is een mooie manier. Maar toch… gisteren in het park zag ik drie kinderen spelen. Ik genoot van het kijken. Hun ouders daagden op, beiden een toestel in de aanslag. Ze filmden, gingen op een bank zitten en tikten minutenlang op hun schermen. Ik zuchtte. Het is net zo mooi om nu te kijken naar je kinderen, iets te zeggen, misschien mee te spelen. Niet later of ergens anders.
Hier en nu.

De Wakkere Papa

Zij willen dat zélf

De irritantste uitspraak van het jaar is voor mij: ‘Zij willen dat (zelf)’ of de variant ‘Zij willen dat écht heel graag’. ‘Zij’ dat zijn de kinderen en de uitspraak komt van de co-
ouder. In zowat een derde van de communicatie tussen ons valt die zin. Het is een manier om tegenspraak de mond te snoeren. Als mijn kinderen écht heel graag naar een evenement gaan met mama, net op een dag dat ze bij papa zijn, en papa plande al iets anders, wat voor vader ben ik dan als ik toch mijn eigen plan doorzet? Wat als mijn jongste zoon, helemaal zelf, kiest voor een hobby die ik te duur, intensief, weinig ‘stichtend’… vind? Dan mag ik hem toch niet tegenhouden? Maar mijn jongens blijken niet altijd zo warm te lopen voor mama’s plannen als zij laat uitschijnen. Soms neem ik even zélf de temperatuur.
“Mama vertelde me over die show volgende week”, zeg ik dan. Ik wik mijn woorden. Ik wil niet dat ze het gevoel krijgen dat ik een voorkeur heb voor het ene of andere antwoord. “Gaan jullie daar graag naartoe? Dat kan hoor. Maar dan moeten we het wel regelen.”
“Bwwaaa… wat zouden we doen als we bij jou blijven?”, vraagt de oudste. “Zijn daar chips?”, vraagt de jongste.
Ik herlees de mail van mijn co-ouder: ‘Ze kijken er écht héél erg naar uit.’ De eerste keer dat ik me die strategie herinner, ging het om een kappersbeurt. Ik vond mijn zoon van drie prachtig met zijn iets langere wilde haren. Plots waren ze eraf. Ik vroeg de co-ouder om in het vervolg even te overleggen. Het antwoord: “Hij wilde dat zelf.”
Ik ben, denk ik, niet zo’n moeilijke co-ouder. Ik vind het gemakkelijk als alles volgens afspraak verloopt, maar is er bij hun mama een familiefeest op mijn dagen, loopt een uitstap uit of wil zij heel graag naar de kapper met de kinderen, dan zeg ik in de regel: “Oké, geen probleem.”
Een voorbeeldje. “Hey, volgende week zou ik graag naar een musical gaan met de kinderen. Ik denk dat zij het leuk zouden vinden. Tegen mij zeggen ze van wel. Kunnen we dat regelen? Kom jij ze dan een andere keer een extra dagje halen?” Of “Hey. Volgende week is er een prachtige musical. Het is op een van jouw dagen, maar de jongens willen écht heel graag gaan. Mogen ze met mij mee?”
Je kan wellicht raden welke versie ik verkies?

De Wakkere Papa

De Klopstop

Een vriendin in het onderwijs heeft een probleem met geweld in haar klas. Er wordt te veel geklopt, gespuwd, geduwd en geknepen. Ze werkte, samen met de leerlingen, een plan uit om dat te stoppen. Een eenvoudig plan: je raakt nooit iemand negatief aan. Een aai of een schouderklop? Prima! Een duwtje of een tik om het eigen gelijk kracht bij te zetten? Verboden! Ik ben zelf heel lichamelijk. Ik geef gauw een knuffel of leg een arm om iemands schouder. Als ik aandacht wil trekken, raak ik, zelfs bij onbekenden, heel even een elleboog aan. Mijn kinderen doen dat ook. Lezen ze in de zetel, dan zoeken ze elkaars aanraking. Vertellen ze elkaar over hun dag, dan nemen ze elkaars hand vast. En bij de onverwachte ontdekking van – pakweg – een taart in de koelkast, uiten ze hun vreugde door een wilde, dansende omhelzing. Maar er is ook de andere kant. Eén keer heb ik geturfd. Tijdens een vakantiedag thuis kwam ik aan 31 kloppen op het hoofd, 23 duwen en 7 krabben in het gezicht. En dan tel ik het speelworstelen en de brute balveroveringen bij het voetbal nog niet mee. Ik weet het: het zijn broers, ze leven dicht op elkaars huid én kunnen in de veilige context van het gezin leren hoe te reageren op geweld… van hun broer. Ik geef toe: als ik mijn kinderen iets wil inpeperen, neem ik ook wel eens hun schouders vast. Maar ik moet een signaal geven. Ze doen te weinig moeite om zich te beheersen. Een klap of een kneep, zonder schaamte of verontschuldigingen achteraf, het wordt een gewoonte. Slaan is te goedkoop. De prijs moet omhoog. Tijd voor nultolerantie: de klopstop. Ooit hadden we de spotstop. Geen geplaag meer of uitspraken waardoor de ander zich slechter of minder voelt. En ook geen discussies of het maar een grapje was. Nu stel ik, zoals die vriendin, een totaalverbod op negatieve aanraking in. De stopknop in het hoofd van mijn jongens moet getraind. Ik laat hen zelf een systeem bedenken. Hun voorstel is verbazingwekkend slim en duidelijk.
Week 1: elke negatieve aanraking is 1 minuut minder computertijd de dag erop. Week 2 wordt dat 2 minuten. Week 3 is 4 minuten. Enzovoort. “Wat als iemand na een uur al zijn volledige computertijd kwijt speelt?”, vraag ik. “Papa!” zegt mijn zoon. Hij wil geïrriteerd op mijn arm kloppen, maar houdt zich in. “Je moet in ons geloven! Anders lukt het nooit!” Met plezier geloof ik in hen. Ik ben benieuwd!

De Wakkere Papa

Alleenstaande papa

“Wie wil er nog een dessert?” Ik zit met mijn kinderen, mijn moeder en haar man op restaurant. Het is de laatste avond van ons verblijf bij hen. Het is fijn samen te zijn. Mijn jongens genieten ook. We zien de familie niet elke week, het mag dus best een beetje feest zijn de laatste avond. Met dessert. Maar het is al 22 uur. Morgen zullen de jongens moe zijn. Ik ben de enige die op het uur let en de enige die eraan denkt dat ze vandaag al ijs en een suikerwafel gegeten hebben. En dat dat misschien wel genoeg is. Dat gezonde voeding belangrijk is en een kind slaap nodig heeft. Ik vind dat er te vaak mee gesold wordt bij te veel zogenaamd speciale gelegenheden – verjaardagen, voetbalwedstrijden, vuurwerk, start en einde vakantie, schoolfeest, …
Ik voel me even de eenzaamste papa ter wereld.
Thuis sta ik er alleen voor. Of het nu gaat over bedtijd, bord leeg eten, kamer opruimen of mee de afwas doen, ik breng het vervelende nieuws. Het is mijn taak om ouder te zijn, leiding te geven en soms ‘nee’ te zeggen. En het is normaal dat mijn kinderen dan ‘ja’ zeggen. Maar ik vind het wel lastig dat ik het altijd alleen moet doen.
En die avond bij mijn moeder doet dat dus plots pijn. Ik laat het niet merken, maar voel me ongelukkig en doodvermoeid. Misschien hoopte ik onbewust tijdens het verblijf bij mijn moeder een gevoel te krijgen van ‘samen zorgen voor’.
Het is niet erg. Het maakt me meer bewust van mijn positie: alleenstaande ouder. Zoals zovelen. Door het besef dat dit een soms pijnlijk eenzame rol is, begrijp ik mezelf beter en kan ik mezelf ondersteunen. Ik tracht moedig het juiste te doen. Met rechte rug de kar te trekken, ook door modder en tegenwind. Soms laat ik de teugels vieren, maar meestal ga ik moedig rechtdoor. Liefde met een ruggengraat is een geschenk voor mijn jongens.
En natuurlijk is niet mijn hele vaderlijke bestaan moeilijk en zwaar, trekken en sleuren. Meestal is het fantastisch. Het liefste wat ik doe! Maar dit stukje gaat daar niet over. Wel over mijn momenten van ouderlijke eenzaamheid, soms. Dat mag ook gezegd worden. En wie weet leest, bijvoorbeeld, mijn moeder het. En zegt ze nog eens: “jij doet het goed met de kinderen. Je bent een goede papa”. Want dat zegt ze eigenlijk best wel regelmatig.

De Wakkere Papa

Sponsored by papa

Een tafel vol blinkende handtassen en juwelen uit gerecycleerde blikjes. Een tentje met gehaakte dieren in alle mogelijke kleuren en maten. Een kraam met prachtig houtsnijwerk: handgemaakte houten klokken, pennen en popjes. Een doek met honderden kleurrijk beschilderde kaartjes. Dat ik me het hele aanbod van dit kunst- en ambachtenmarktje nog herinner, komt doordat mijn kinderen niet zeurden om weg te gaan. En dat deed me plezier. Ze raakten niet uitgekeken. “Papa! Ik heb een supermooi schilderij gezien!” “Kijk! Die meneer maakt dat allemaal zelf!” “Zie je papa, deze mevrouw is aan het haken.”
Ik trof mijn oudste zoon aan in een kraam met zachte vilten spullen. “Ik wil deze”, zei hij, wijzend naar een wit tasje met bollen in vrolijke kleuren. “Vind je die mooi?”, vroeg ik. “Ja… ik ga hem als portefeuille gebruiken.”
“Weet je wat?”, zei ik. “Ik vind dat een prima aankoop. Ik sponsor je voor de helft van de prijs. En dat geldt voor alle kunst of ambachtelijke spullen die je koopt.”
Mijn jongste zoon stond zich te vergapen aan honderden cactussen en de verhalen van de cactuskweker.
“Ik ga die met de witte stekels kopen en die met de paarse bloemetjes!”, zei hij beslist. “Weet je dat papa sponsort?”, fluisterde mijn oudste zoon hem in. De jongste piepte vragend over zijn schouder naar mij. “Ja hoor”, bevestigde ik. “Cactussen kweken is ook een soort ambacht. Ik betaal de helft!” De jongens togen enthousiast verder over de markt. Ze kochten een sjaal voor hun mama, een kaartje voor hun opa, elk een houten pen voor zichzelf en een ring gemaakt van het klokwerk van een defect horloge. Papa sponsorde met plezier. “Wij hebben hier negen soorten confituur geproefd!”, riepen mijn jongens toen ik hen aan het einde van de markt terugvond. “Maar we krijgen onze eigen confituur niet eens op”, wierp ik op. “Oei…” klonk het teleurgesteld. “We hebben al een pot met aardbei en eentje met kers-framboos laten inpakken. Sponsor je niet?” “Allemaal fruit uit onze eigen tuin, meneer”, zei de verkoper. Ik keek naar de man, dan naar mijn kinderen. Ze waren helemaal opgewonden en blij. “Ja! Natuurlijk sponsor ik!” liet ik me tot hun verbazing meteen overtuigen. “Ik ben blij dat jullie je centen uitgeven aan waardevolle producten. Sommige andere kinderen geven al hun geld aan chips en snoep.”
Terwijl ik alle spullen een plaatsje in de fietstas gaf , trok de oudste met een ondeugend gezicht aan mijn mouw.
“Papaaaa… lees daar eens!” Hij wees naar een ijskraam iets verderop. “Am-bach-te-lijk ijs”, spelde de jongste, met een grijns. Ik nam mijn verlies. Zij likten hun winst.

De Wakkere Papa

Schoolstrijd

Eind augustus. Een dot van een ochtend. Met het ontbijt op een dienblad kom ik de hoek naar de achtertuin om gelopen. “Ontbijt!” roep ik. Mijn twee jongens komen aangerend. Eerst hoor ik ze: “Hey! Niet trekken!”. Dan zie ik hun bezwete gezichten van onder een ontplofte druivelaar op me afkomen. De jongste grijpt de oudste bij zijn kraag en trekt hem ruw naar achter. Dat is nog redelijk alledaags. Maar dan begint de jongste met zijn andere hand razend op het hoofd van zijn grote broer te meppen. Ik maak met enig stemvolume een eind aan de scene. Na het ontbijt houd ik de jongste even bij me.
“Ben je zo boos op je broer?” open ik. Hij barst meteen los. “Hij wil dat het nu al terug school is.” “Ja… je broer gaat heel graag naar school.” “Maar ìk heb liever vakantie. Dan moet hij toch niet de hele tijd zeggen dat die bijna gedaan is.” Kinderen gaan elk jaar ongeveer de helft van de kalenderdagen naar school. Je kan maar geluk hebben, of ongeluk. Dat je je op die plek goed voelt… of slecht. Het is echt wel voor een stukje toeval hoeveel een kind houdt van de school. Elk kind is anders. En er zijn zoveel factoren die school leuk of niet leuk kunnen maken. Welke kinderen zitten er in je klas? Welke meester of juf krijg je? Heb je een grote of kleine speelplaats? Een turnzaaltje of een echte sporthal? Gaat jouw school elk jaar een week op bos-, zee- of sneeuwklassen? Of alleen een dagje naar de lokale speeltuin? Moet je hard werken? Voor welke vakken? En welk resultaat haal je daarmee? Vertelt de leerkracht elke seconde wat er moet gebeuren? Of mogen kinderen ook een stuk hun eigen tijd plannen? Wie weet heeft mijn jongste zoon gewoon een rotklas, en zou mijn oudste zoon naar school gaan ook niet lusten met die klasgenoten. Wie weet zou mijn jongste elke dag naar school huppelen in een school met een andere methode. Wie zal het zeggen? Elk jaar eind augustus denk ik aan de kinderen die met tegenzin het schooljaar aanvatten. Niet alleen zitten ze met die tegenzin, wat geen leuk gevoel is. Meestal worden ze ook nog eens minder flink bevonden, halen ze minder goede resultaten, krijgen ze meer straf en bezorgen ze hun arme ouders meer zorgen. Ik probeer dat te onthouden als ik naar mijn jongste zoon kijk  kort voor en na elke schooldag. Ik probeer hem te steunen, want hij heeft toch maar de pech dat hij niet graag naar school gaat. Ik aai hem over zijn bol en trek hem op mijn schoot. “Ja… het nieuwe schooljaar komt eraan. En jij hebt liever vakantie. Ik vind het wél echt jammer voor jou dat je er zo tegenop ziet.”

De Wakkere Papa

Zeuren zonder onderscheid

“Kom jongens, we gaan vertrekken!” “Waar naartoe?”
“Dat weet je… Zwemmen!” “Maar papa…”
En dan is er altijd wel een reden waarom we (nog) niet kunnen vertrekken. Er moet een race afgemaakt, een boek uitgelezen of wat dan ook. Om het even waar we heen gaan en wat we gaan doen, zeuren kunnen ze altijd, mijn jongens. Vandaag vindt mijn oudste het te heet om te fietsen. Ook al gaan we net een verkoelende duik nemen…
“Kom jongens,” zeg ik rustig maar héél beslist.
“We gaan. Nu.”
De jongste komt zijn schoenen naast mij aantrekken.
“Als ik later papa ben, en jij gaat dood,” zegt hij, “dan word je terug geboren als een kindje van mij. En dan wil jij niet gaan zwemmen en moet je van mij toch mee.”
“Ja,” zeg ik, “dat is waar. Want jij gaat later ook zwemmen met je kindjes, hé? Want dat vind jij zó leuk!”
En dat is écht zo. Twee uur later, anderhalf uur nadat we het zwembad zijn ingedoken, willen mijn jongens absoluut nog niet vertrekken. Compleet voorspelbaar.
Zo loopt het elke keer opnieuw. Eerst zeuren om niet te gaan. Dan zeuren om niet terug te keren.
“Nog een kwartiertje, papa,” zegt de oudste.
“Nee! Nog een uur!” roept de jongste.
Het wordt uiteindelijk drie kwartier. Een stuk later dan ik thuis zou willen zijn. Maar goed, dan wordt het maar maaltijdsoep vanavond. Dat is snel klaar. En dan
kunnen mijn rakkers nog twintig keer van de glijbaan. Nog handiger was geweest als ze niet zo hadden getreuzeld bij het vertrek naar het zwembad, dan hadden we sowieso tijd genoeg gehad. Maar ja… Maaltijdsoep dus. De oudste begint eraan zonder overdreven enthousiasme.
“Hoeveel lepels moet ik?”
“Ik weet het niet, jongen. Begin maar met vijf lepels om te proeven. En dán pas wil ik horen of je ze lekker vindt… of niet.” Hij begint eraan, tergend langzaam, en met een vies gezicht. Ik richt me op mijn eigen eten, en mijn andere zoon. “Is het lekker jongen?”
“Dat zie je toch, papa. Mijn kom is al leeg!”
“Mijn vijf lepels ook,” roept de oudste. “Zal ik er nog wat eten, papa? Ik kan er ook tien eten hoor. Of die hele kom!”
Net zoals bij het zwembad. Eerst veel gezeur rond papa’s hoofd. “Ik wil niet vertrekken. Ik lust dat niet.” Waarom eigenlijk? Want in beide gevallen blijkt het toch goed, en lekker. Grrrr… ik heb er een hekel aan om altijd als pispaal te dienen. Maar ik zwijg erover, deze keer.
“Ah… goed!” zeg ik. “Ik ben blij dat je het tóch lekker vindt!” En ik rol eens met mijn ogen naar kleine broer.

De Wakkere Papa

Zindelijke humor

“Papaaa! Kom eens hier!” Gegniffel op het toilet.
“Als hij denkt dat ik zijn achtjarige billen kom afvegen, zit hij er ferm naast,” mompel ik. “Kom papaaaa!”
Ik steek mijn hoofd om de deur. Mijn jongste zoon zit op het toilet. Zijn broer staat naast de pot. Ze grijnzen allebei. Mijn jongste zwaait langzaam met een papiertje tussen zijn vingers. “Nee,” zeg ik. “Dat kan niet!” Ik word twee jaar in de tijd terug gekatapulteerd. Mijn jongste zoon was zes jaar. Hij kon al héél lang zijn eigen kleine billetjes afvegen. Maar als papa in de buurt was, vond hij het toch zo gemakkelijk om het te láten doen. “Papa … kom je mijn billen afvegen?” “Waarom?” “Het is platte kaka.” “Ok,” zuchtte ik toen. Want hij had inderdaad nogal eens waterige stoelgang. Niet zo eenvoudig voor hem om dat vegen proper uit te voeren. “Maar ik ben wel bezig met het eten. Je moet vijf minuten wachten.” Dat was mijn veiligheid. Die vijf minuten. Anders was het echt te gemakkelijk. Waarom zou hij het zelf leren doen, als ik daar elke keer onmiddellijk volledig ter beschikking stond. En inderdaad: soms was hij al weg als ik in het toilet aankwam. Gemotiveerd door het lange wachten op papa. Mijn oudste zoon moeide er zich wel eens mee. “Papa… hij zit nog altijd op het toilet.” “Ja,” zei ik dan, luid genoeg zodat zijn kleine broer het ook kon horen. “Dat weet ik. Maar hij kan het zelf. Dus mag hij kiezen: wachten op mij of het zelf doen. Anders leert hij het nooit. Ik help hem, door hem niet metéén te helpen, zie je.” Ik vond het allemaal heel logisch. Toch veranderde ik het geweer van schouder. Op zijn zevende verjaardag kreeg mijn kleine billenjongen als extra cadeautje vijftig kaka-tickets. Kleine bruine briefjes, ter waarde van één of twee ‘kakbeurten’. Met een mooie afbeelding erop. In ruil voor één ticketje veegde ik zijn billen af, onmiddellijk en grondig. Platte kaka kostte twee tickets. Ja… helemaal gek was ik nu ook weer niet.
Mijn beide zonen waren enthousiast. “Je moet er een paar houden tot je twintigste verjaardag,” zei de oudste.
En dat hebben ze dus blijkbaar écht gedaan. Want het papiertje waarmee mijn jongste op het toilet zit te zwaaien, is een origineel kaka-ticket. Ik gris het uit zijn handen. “Ok dan,” grom ik, en buk me nog een keer om zijn billen te vegen. “Hoeveel tickets heb je zo nog?” “Dat zeggen we jou niet.” “Dit verhaal komt anders wel in De Bond, hoor.” “Echt?” schrikt mijn jongste zoon. Ik grijns. En dan schieten we alle drie in een heerlijke, lange lachbui.

De Wakkere Papa